Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de natie uitgeoefend, hare beste krachten verlamd en zóó den val des rijks voorbereid, ja onvermijdelijk gemaakt heeft. Maar wij hebben ons aan den anderen kant te wachten voor de eenzijdigheid, waaraan de Israëlietische geschiedschrijvers zich meermalen schuldig maken, door niet slechts de wreedheden van eiken vorst, die den Jahvehdiensl begunstigde, te bemantelen, maar zulk een koning om zijn ijver voor de eer van God hemelhoog te verheffen, gelijk dit, 0111 één voorbeeld te noemen, met Jehu is geschied.

Een volk, dat de bloedige heerschappij van zulke onwaardige vorsten dulden kon, was zóó diep gezonken, zóó van alle zedelijke kracht ontbloot, dat het alle recht op zijn voortbestaan als natie had verloren. De geschiedenis der volgende koningen is inderdaad niets anders dan de geschiedenis van het verval van het voor korten tijd nog zoo bloeiende Israëlietische rijk. de treurige schildering der elkaar opvolgende gebeurtenissen, waarvan de ondergang des rijks de onvermijdelijke uitkomst wezen moest.

Nauwelijks had Salomo de oogen gesloten, nauwelijks was het bericht van zijn dood tot alle deelen des rijks doorgedrongen, ot in den boezem des volks ontwaakte schier overal de wensch naar meerdere vrijheid, liet krachtigst deed deze begeerte zich bij die stammen gelden, welke niet, zooals de stam Juda, door de tegenwoordigheid van het koninklijk hof rechtstreeks en in hooge mate waren bevoordeeld, en die — hoewel ze door den verren afstand, waarop zij van Jeruzalem waren verwijderd, zich volstrekt niet konden baden in den glans door dat hof verspreid — toch even goed als de stam Juda, belastingen opgebracht en heerendiensten bewezen hadden.

De inwoners van den vroeger zoo machtigen stam Ephralm waren overtuigd, dat hun van oudsher de opperheerschappij toekwam, welke hun door Saul, David en Salomo ontnomen en op den stam Juda overgedragen was. Had zoowel David als Salomo den troon beklommen in strijd met het recht van erfopvolging, dan kon het aan het volk niet ten kwade worden geduid, dat dit van zijn kant voor dat recht weinig eerbied koesterde. De aanzienlijksten des lands kwamen dan ook te Sichem bijéén, om te overleggen aan wien men de koninklijke kroon opdragen zou, en eene groote volksmenigte volgde hen 0111 aan de beraadslagingen deel te nemen.

Rehabeam, de oudste zoon van Salomo, een man van 41 jaren, spoedde zich, zoodra hij van die volksvergadering gehoord had, insgelijks naar Sichem. Eenige afgevaardigden des volks kwamen tot hein en brachten hem den algemeenen wensch naar vermindering van de lasten der natie over. Indien hij het zware juk, door Salomo op hunne schouders gelegd, lichter wilde maken, zouden zij hem onderdanig zijn. De oudere raadslieden van Rehabeam. die reeds den overleden koning ter zijde gestaan hadden, spoorden hem tot toegevendheid, zijne eigen vrienden daarentegen tot eene barsche weigering aan.

Tot zijn ongeluk volgde Rehabeam den raad der laatstgenoemden. In plaats van vriendelijke woorden te spreken, riep hij uit: «Mijn vader heefl u met geeselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden." Op het vernemen van dit woord werd ieders hart met onwil en toorn vervuld. »\Yat deel hebben wij aan David? Naar uwe tenten, Israël!" zoo riepen de leidslieden des volks. De teerling was geworpen, de scheidsmuur tusschen Rehalieam en zijns vaders onderdanen voor altijd opgericht. Toen de eerste zijn rentmeester Adoniram naar de volksvergadering zond, waarschijnlijk om woorden van verzoening te spreken, werd de gehate afgezant des konings onder een

sieeiniuup verpieueru.

Zóó snel en dreigend greep de opstand om zich heen, dat Rehabeam in aller ijl zijn wagen besteeg en met lossen teugel naar Jeruzalem vluchtte. Alleen de stam Juda met dat gedeelte van Benjamin, welks landerijen onmiddellijk onder de muren van Jeruzalem lagen, bleef Rehabeam getrouw. De overige tien stammen vereenigden zich om een nieuwen koning te kiezen;

Sluiten