Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl de koning nog bezig was met het aanrichten van de bruiloftsfeesten, kwam er een vluchteling aan zijn hof, Adrastus, de zoon van Gordius, koning van Phrygië, die daar onder de opperheerschappij der Lydiërs regeerde. Adrastus had het ongeluk gehad zijn broeder tegen zijn wil. door een toeval, Ie dooden, en was hierom door zijn vader verbannen. Croesus nam hem vriendelijk op.

Te zelfder tijd kwam uit Mysië het bericht, dat een groot everzwijn de velden verwoestte; eiken nacht daalde het van de bergen af, en vergeefs had het volk op het ondier jacht gemaakt.

De Mysiers smeekten den koning om hen door het zenden van jagers en honden bij te staan; Croesus beloofde zijne hulp; toen hij nu den jachtstoet uitrustte, verzocht Attys hem dringend dat hij de jacht zou mogen bijwonen.

Vergeefs weigerde Croesus dit verzoek; vergeefs vertelde hij den droom, die hem zoo zeer verontrust had; schertsend antwoorde Attys, dat een everzwijn toch geene handen had en onmogelijk met speren koii werpen, en dat de jacht op zulk een dier hem dus niet gevaarlijk worden kon. Voor zulke bewijsgronden moest Croesus eindelijk zwichten; hij gaf zijn zoon verlof om mee Ier jacht te trekken, maar droeg aan zijn gastvriend Adrastus den last op om voor Attys zorg te dragen. Adrastus beloofde dit.

Zoo trokken dan de jagers vroolijk op weg. Spoedig vonden zij het wild; zij omsingelden het en wierpen hunne werpspietsen naar den woedenden ever.

Het ongeluk wilde dat juist Adrastus, in plaats van het zwijn te treffen, met zijne speer den zoon van Croesus doorboorde.

Ei'» renbode werd onmiddellijk naar de hoofdstad gezonden om de tijding van den strijd met den ever en van Attys' dood over te brengen; vervolgens droegen de jachtgezellen het lijk naar Sardes. Diep bedroefd volgde hen Adrastus; hij verantwoordde zich voor Croesus en smeekte dezen om hem te laten dooden; na zulk een ongeluk was het leven hem ondragelijk.

Hoe groot de smart des konings ook was, toch liet hij zich tot zulk eene onrechtvaardigheid niet vervoeren. »Gij hebt," zoo sprak hij, «mijn gastvriend, mij reeds genoegzame voldoening geschonken, daar gij u zeiven schuldig acht. Gij zijt niet schuldig aan dit ongeval, daar gij buiten uw wil de dader geweest zijt."

Croesus liet zijn zoon met allen mogelijken luister begraven; ook Adrastus was daarbij tegenwoordig, hij bleef bij het graf vertoeven, totdat al het volk zich verstrooid had, besteeg vervolgens den grafheuvel en doodde zich in vertwijfeling met eigen hand.

Twee jaren lang treurde Croesus over liet verlies van zijn zoon. Nog was de romvtijd niet verstreken, of andermaal ontving hij eene verpletterende tijding. In het naburige Medië was de met hem bevriende koning Astyages, zijn zwager, door Cyrus, een Pers, van den troon gestoolen.

Croesus vreesde met reden, dat het rijke Lydië den jongen koning tot een veroveringstocht zou uitlokken, en meende daarom, dat hij door eene aanvallende beweging zulk eene onderneming moest voorkomen, eer Cyrus zijne macht nog verder uitgebreid had. Voorzichtig besloot hij echter eerst den raad der goden in te roepen, eer hij het bepaalde besluit tot zulk een gevaarlijken veldtocht nam.

Het beroemdste van alle orakelen was te dien tijde dat van Delphi; daar zond hij een gezantschap heen; maar hij was «riiet van zins zich te laten bedriegen en nam daarom eerst eene proef, of dit orakel werkelijk alwetend was, dan of een ander orakel misschien de toekomst beter kon voorspellen. Hij gaf den gezanten, die hij naar Delphi en eenige andere orakels zond, in last, om juist op den honderdsten dag na hun vertrek aan de orakels te vragen, wat de Lydische koning op dien dag deed. Het antwoord te Delphi luidde:

»Ik weet het getal der zandkorrels, ik ken de maat van de wateren der zee, ik hoor den stomme en versta hem, die niet spreekt; tot mij dringt de reuk door van de met een hard pantser bedekte schildpad, die met het vleesch

12*

Sluiten