Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinig verwonderd, toen een vuile, in lompen gehulde en met ketenen Waden .slaaf voor liem gebracht werd.

Democedes handhaafde zijn ouden roem. zijne geneesmiddelen bewerkten in korten tijd de genezing van Darius, die hem. daarover ten hoogste verblijd, twee paar gouden ketenen schonk. »Wilt gij met opzet mijn ongeluk verzwaren. omdat ik u gezond gemaakt heb?" vroeg de geneesheer, een blik op de ketenen werpend. Dit woord beviel den koning; hij kreeg den Griekschen arts lief, overlaadde hem met kostbare geschenken en verhief hein zelfs tol zijn dischgenoot.

De gunst, waarin Democedes bij Darius stond, zou — wanneer wij Herodolus mogen gelooven — een verderfelijken invloed op het lol der Grieken, zijne landgenooten, uitoefenen. Wij komen hierop spoedig terug.

Was na den dood van Oroetes de heerschappij van Darius over Klein-Azië voor goed bevestigd, toch barstten er in andere gewesten van zijn wijd uitgestrekt gebied gevaarlijke onlusten uil. Het dreigendst aanzien namen deze oproerige bewegingen in liet hart des rijks, in Babylonië, aan. Ilier had een avonturier, Natitabira, zich aan het hoofd van een opstand geplaatst. Hij gaf zich uit voor den zoon van den door Cyrus onttroonden koning Nabonetus, en noemde zich Nebukadnezar II. Het volk geloofde hem en huldigde hem als koning van Babyion.

Darius nam een kort en kloek besluil. Zoodra hij het bericht van den opstand vernam, verzamelde hij al de troepen, die hij uit Perzie en Medië bijeen kon brengen, trok met hen tegen de Babyloniërs op en versloeg den gewaanden Nebukadnezar in twee achtereenvolgende gevechten. Docli hiermede was de opstand nog niet onderdrukt, want Natitabira trok zich met zijne soldaten in de sterke stad Babyion terug. De vestingwerken van Babyïon spotten met elke bestorming der Perzen; ook eene poging om den Euphraa! in liet bekken van Sepharva'iin af te leiden, mislukte, dewijl de Babyloniërs op hunne hoede waren. Zij lachten de belegeraars uit, daar zij de stad zoo zorgvuldig van levensmiddelen voorzien hadden, dat zij jaren lang aan eene belegering het hoofd bieden kon. De Babyloniërs hadden bet onveranderlijk besluit opgevat om tot den laatsten man pal te staan, en de vastheid van dit voornemen door liet nemen van een uiterst hardvochtigen maatregel kenbaar gemaakt. Iedere man mocht maar ééne vrouw behouden, al de overige vrouwen werden vermoord, opdat met den voorraad van levensmiddelengeene overtollige monden gespijzigd zouden worden.

Hoe sterker de Perzen hunne krachten inspanden om de belegeringswerken voort te zetten, des te meer werden zij door de belegerden bespot. Deze dansten en vierden leest; één hunner riep den Perzen toe: «Wal ligt gij hier? Perzen! Gaat toch liever naar huis; want gij zult deze stad dan eerst innemen, wanneer de muildieren jongen werpen." Zoo sprak hij, voegt Herodotus er bij, in de vaste overtuiging dat een muildier geene jongen werpen kan.

Het scheen dat de belegerden, tengevolge van de onneembare sterkte van Babyion, werkelijk hun doel zouden bereiken, want het voorbeeld der Babyloniërs vond in alle overige provinciën navolging. De Meden, de Armeniërs, de Parthen, de Sagartiërs, de Margianen kwamen in opstand; zelfs in Perzië. het gewest waaruit de koning afkomstig was, brak eene omwenteling uit.

Beeds negentien maanden duurde de belegering; door het gelieele land greep het vuur van den opstand om zich heen; gelukte het Darius niet, binnen zeer korten tijd Babyion in te nemen, dan was hij reddeloos verloren. Brak hij het beleg op, dan kon hij niet verwachten, dat hij met zijn ontmoedigd leger de opstandelingen in de provinciën uiteen drijven zou. In dezen werkelijk wanhopigen toestand zag hij zich op ongedachte wijze uit den nood gered.

Zopyrus, de zoon van een der zeven stamvorsten, bemerkte, zooals Herodotus verhaalt, dat een zijner muildieren een jong geworpen had. Zulk

Sluiten