Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 200 schreden naar de hoogte, waarop het paleis ligt. Zij is zóó breed, dat tien ruiters die met gemak naast elkander zonden kunnen oprijden. Nog verhellen de overblijfsels van een muur, die uit vierkante marmerblokken ter dikte van 4—6 voet bestond, zich op sommige plaatsen tot eene hoogte van 40 voet.

Van de pijlers, die liet dak van het voorportaal ondersteunden, zijn nog twee zuilen, ter hoogte van 54 voet overgebleven; ook van de overige deelen van het gebouw staan nog eenige muren en enkele zuilen overeind. De beeldhouwwerken, die in de wanden van de trap aangebracht zijn, vertoonen ons koning Darius, deels in rustende houding, deels strijd voerend tegen verschillende monsters, deels omstraald door de volle pracht en luister van een Perzisch vorst.

In de nabijheid van zijn paleis liet Darius ook de grafplaats in gereedheid brengen, die eens zijn lijk bevatten zou. Twee uur ten Noorden van Persepolis werd in het bovengedeelte van een steilen, uit wit marmer bestaanden rotswand het doodenvertrek uitgehouwen en de voorzijde der rots met beeldhouwwerken versierd.

Zoo vertoonde zich het prachtige Persepolis; het bleef ook de residentie der volgende koningen, wier lichamen insgelijks in die graven werden bijgezet.

Darius resideerde bij afwisseling te Susa en te Persepolis; in de zomermaanden werd nu en dan ook het hooggelegen, koele Ecbatana lot verblijfplaats gekozen.

Geëvenredigd aan den luister van het koninklijk paleis waren ook de praal der hofhouding en het plechtig ceremonieel, waardoor de Perzische vorsten zich schier ontoegankelijk maakten voor hunne onderdanen.

Een talrijke hofstoet omringde den koning: raadslieden en ministers, kamerlingen en stalmeesters, jagermeesters en lijfartsen, benevens eene ontelbare schaar bedienden van lageren rang, die alle aan het koninklijke hof verschillende betrekkingen bekleedden. Onder hen bevonden zich de opperdeurwachters van het koninklijk paleis, de eunuchen, die de binnenste zalen en den harem bewaakten, de opperschenkers, koks, keldermeesters, zalfbereiders, uitspreiders van de tapijten, tafeldekkers, paleisvegers, en welken naam die bedienden verder mochten dragen. Deze gansche menigte wemelde in de gangen, voorkamers en dienstvertrekken van het paleis door elkaar.

De koning zelf trok zich in de strengste afzondering van allen terug. Het was hoogst moeilijk tot zijne tegenwoordigheid door te dringen. De stoet van lijfwachten en de hofadel, die elkander aan de deuren van het koninklijk vertrek verdrongen, om een straal der koninklijke gunst op te vangen, beletten eiken vreemde tot den koning te naderen; slechts door eene bijzondere vergunning kon dit iemand te beurt vallen, die niet tot den hoogsten adel behoorde.

Wie het waagde, zich door den stoet der deurwachters met geweld een weg te banen en onaangemeld voor den koning te verschijnen, werd op staanden voet ter dood gebracht. Slechts het woord van den koning zelven kon hem van de voltrekking der straf ontslaan. Ieder, die met den koning spreken wilde, moest zich voor hem in het stof neerbuigen; hem, die het waagde de handen daarbij vrij te houden (het was streng bevolen, dat men die in de mouwen van het gewaad moest verbergen) dreigde insgelijks de dood.

Verleende Darius gehoor, dan zat hij op een gouden troon onder een troonhemel van purperstof, die door gouden, met edelgesteenten versierde pijlers gedragen werd. De troon was een heiligdom; ieder ander, die zich daarop neerzette, maakte zich aan hoogverraad schuldig. Wanneer Darius zich op den troon plaatste, droeg hij een gouden scepter in de hand; zijn hoofd was bedekt met eene recht opstaande tiara of muts. die met een witten en een blauwen band omwonden was. Dezen witten en blauwen band mochten ook de bloedverwanten des konings dragen, als een teeken van hunne hooge afkomst. De koning was gekleed in een purperen rok, waar-

15*

Sluiten