is toegevoegd aan je favorieten.

De geschiedenis der wereld, aan het volk verhaald

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

landschap en ten Westen van Areadië lag Elia. waarop in noordelijke richting Achaja, Sicyon en Corinthe volgden. Aan de oostzijde van den Peloponnesus. ten Noorden van Laconië, lag Argolis met de hoofdstad Argos.

Al de eilanden, die het Grieksehe vasteland omringden en die in de geschiedenis van Griekenland dikwijls eene hoogst belangrijke rol gespeeld hebben. hier op te noemen en te beschrijven, zou ons te wijdloopig doen worden.

Wij komen daarop bij het verhalen van de geschiedenis van zelf terug.

Van de oudste geschiedenis van Griekenland weten wij niets; zelfs geene .sagen zijn ons ten haren aanzien overgeleverd. Geen enkele lichtstraal verheldert de duisternis, waarin dat allervroegste tijdperk is gehuld. Wij zijn zelfs niet in staat om in de verte te gissen, welke volken in het allereerste begin van de ontwikkeling des menschdoms den classieken bodem van Griekenland bewoond hebben. De wetenschap heefl eerst in den jongsten tijd door grondige taalkundige onderzoekingen bewezen, dat liet verre Ooatemie bakermat is van die volken, welke wij volgens de eerste geschied knniliyre berichten op trer"scHiereHand van den Balkan aantreffen. De bewoners van Griekenland beliooren ook tot die groote volkenfamilie. de.Ariërs, van wie het ééne deel Indië. het andere deel het hoogland van Iran bevolkt liad (zie blz. 182).

Een deel dezer iamilie was in overouden tijd naar Europa getrokken. Wij maken dit met eene waarschijnlijkheid, die aan zekerheid grenst, uit de verwantschap van de taal der Ariërs met die der Grieken ap. Uit deze taalverwantschap blijkt, dal de Keltische, de Germaansche, en de Gi'iekschItaliaansche stammen tot de groote familie der Ariërs behooren. In hoeveel opzichten die talen ook van elkaar verschillen, toch treft men daarin hoogst merkwaardige punten van overeenkomst aan.

Of het eigenlijke Griekenland vóór de komst der Ariërs bewoond was, en zoo ja, door welke volken, is ons geheel onbekend. In het noordelijk gedeelte van bet Grieksehe schiereiland — de streek, welke zich ten Zuiden van den Donau uitstrekt — zwierven woeste, krijgshaftige en roofzieke nomadenvolken rond, die Illyrië en Thracië bewoonden, die volken, wier afstammelingen nog heden in de Albaneezen en Rumenen voortleven. Of echter toen ter tijde ook het zuidelijk deel van het schiereiland en de Peloponnesus bewoond waren, weten wij niet, daar wij van vroegere bewoners dezer landen nergens een enkel spoor ontdekken.

Bij de Grieken is niet de flauwste herinnering bewaard gebleven van de omstandigheid, dat hunne voorvaderen eens uit het verre Oosten naar Griekenland verhuisd waren; zij verklaren eenstemmig, dat zij afstammen van het volk ilpr Pelasgen en houden Jeze hunne voorvaderen voor de oorspronkelijke bewoners van Hellas.

Rij de Grieksehe geschiedschrijvers omvat de naam Pelasgen alle Grieksehe stammen, gelijk daarna de naam Aclïaeërs en nog later de naam Hellenen lot aanduiding van alle bewoners van Griekenland gebezigd werd. al werden deze benamingen ook ter zelfder tijd bij voorkeur aan enkele afzonderlijke stammen geschonken. De naam Pelasgen duidt alzoo de oudste voorvaderen der Grieken aan.

Ook omtrent de Pelasgen en hunne geschiedenis is ons zeer weinig bekend. Uit de bouwwerken, door ben nagelaten, blijkt alleen, dat zij zich reeds vaste woonplaatsen gekozen hadden en dat zij niet langer op den laagsten trap van beschaving stonden. Dit bewijzen de reusachtige puinhoopen van overoude steden, de overblijfsels van dijken, kanalen en andere bouwwerken, vooral de kolossale, uit ruwe steenblokken of gehouwen vierkante steenen opgetrokken muren, waarbij de steenen, zonder verbinding door kalk. los op elkaar gestapeld waren, en die, in weerwil hiervan, tot op dezen dag aan den vernielenden invloed van den tijd weerstand hebben geboden, zoodat zij bijna onvernietigbaar schijnen. De latere Grieken noemden ze de f.yHopenmnren. daar ze hun als het gewrocht van reuzen voorkwamen, dewijl zij ineenden,