Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lijkplechtigheden ter eere van Patroclus.

315

het verminkte lichaam van hnn dierbare achter zijn strijdwagen aansleepte. In roerende klachten stortte Andromache haar hart uit:

— Hektor, ik arme, helaas! Wel onder een zelfde beschikking Zagen wij beiden het licht, gij Priamos' zone in Troja,

Ik in de veste van Thebe, bij Plakos' belommerde helling,

Binnen Eëtioon's woning; mij droeve verpleegde hij droeve Daar in mijn jeugd; ach had hij mij nimmer het leven geschonken.

Thans in de diepten der aarde naar Aides' woningen dalend Zij* gij gegaan, mij echter verlaat gij in smartlijke droefheid Weduwe hier in mijn huis: en het kind, noch is het een zuigling 't Knaapje van u en van mij, rampzaligen; nimmer, o Hektor,

Zult gij ten trooster hem zijn, nu gij stierft, noch zal hij u troosten.

Want al wierd hij gespaard in den gruwzamen krijg der Achaiërs,

Altijd zullen hem toch voortaan veel moeite en zorgen Dreigen en zullen de andren hem wel ontrooven zijn erfland.

Ook van zijn jeugdige makkers berooft hem de dag der verweezing;

Zie, dan buigt hij het hoofd, dan sproeien de tranen zijn wangen. Zoo ontbeerende gaat dan de knaap tot de vrienden zijns vaders,

Dezen het lijfkleed trekkend en genen de slippen des mantels;

Deze of gene bedeelt hem en geeft hem een weinig, een schaaltje.

Zoo dat hij slechts zijne lippen en niet zijn gehemelt bevochtigt.

Dan gaat weenend het kind naar zijn moeder, de eenzame weduw, Onze Astuana, 't knaapje dat eens aan de knieën zijns vaders Enkel zich voedde met merg en het vet van de vleezige schapen; Maar als de slaap hem beving en het poosde van kinderlijk spelen, Ging het ter nachtlijke sponde, gesust in de armen der voedster, Sliep op het mollige leger, het harte van vreugde verzadigd.

Thans van uw onderen ver, bij de krommend gesnebde galeien,

Zullen de wormen u knagen, als eerst gij de honden verzaad hebt,

Naakt daar liggend; en toch in uw woonzaal is er een aantal Schoone geweven gewaden, gemaakt door de handen der vrouwen.

Maar nu zal ik ze allen in vurige vlammen vernielen,

Niets meer baten zij thans, nooit zijn ze u meer tot bedekking;

Laat ze dan melden uw roem bij de mannen en vrouwen van Troja. *)

Nadat de held op deze wijze zijne wraakzucht althans gedeeltelijk bevredigd had, keerde hij met de juichende Achaeërs binnen de legerplaats terug. Hier trok hij aan het hoofd zijner Myrmidoniërs in plechtigen optocht om het lijk van Patroclus rond, knielde vervolgens daar naast neder en riep, terwijl hij zijne handen op de borst van den verslagene legde: «Verheug u thans, held Patroclus, nog in den donkeren Hades; nu zal ik alles volbrengen wat ik u beloofd heb. Hector is langs den grond gesleept, om den honden als prooi te worden voorgeworpen; twaalf jongelingen, Troje's edelste zonen, zal ik uit wraak voor den moord aan u gepleegd, bij uwen brandstapel slachten." Met die woorden slingerde hij het lijk van Hector naast het leger, waarop dedoode rustte, in het stof.

Nadat Achilles zijn dorst naar wraak alzoo gestild had, liet hij voor zijne dappere krijgers een prachtigen maaltijd aanrichten; een groot aantal stieren, schapen, geiten en zwijnen werd geslacht. Terwijl de Myrmidoniërs vroolijk smulden, geleidden de vorsten Achilles tot Agamemnon, opdat de held in diens tent aan den vorstenmaaltijd zou deelnemen. Een warm bad wachtte hem; men wilde, dat hij zijn lichaam van het bloedig stof zou reinigen; maar hij weigerde dit en zwoer, dat hij zich niet door een bad verfrisschen zou, zoolang niet het lijk van Patroclus verbrand was.

*) Ilias, XXII® boek, vers 477—514.

Sluiten