Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Odysseus maakt den Cycloop eerst dronken en daarna blind.

331

drink," sprak hij, »op menschenvleesch smaakt de wijn goed. Ik bracht u dien tol een geschenk mede, maar gij gaat op onverdragelijke wijze te werk; welk ander mensch zal het in het vervolg wagen 11 te naderen?"

De Cycloop nam de kruik, dronk met verrukking den zoeten wijn en eischte meer; nu vroeg hij den vreemdeling ook naar zijn naam. opdat hij hem een gastgeschenk zou kunnen vereeren.

Odysseus gaf hem volgaarne eene tweede en eene derde kan; de krachtige drank benevelde spoedig hel zwakke verstand van den Cycloop. »Gij wilde! mijn naam weten," zóó vatte Odysseus nu het woord op. »gij zult dien vernemen, maar geef mij dan ook het geschenk, dat gij mij beloofd hebt. Mijn naain is Niemand; alle menschen, mijn vader en mijne moeder en ook mijne tochtgenooten, noemen mij Niemand."

Lachend hernam de reus; »Dan zal het geschenk, hetwelk ik u als gastvriend vereer, hierin beslaan, da! ik Niemand het laatst na al zijne makkers zal opelen." Hierop tuimelde hij beschonken op den grond. Dezen oogenblik had Odysseus afgewacht. Hij haalde den glad geschaafden paal ui! den mest te voorschijn en hield hem in de glimmende kolen, zoodat hij vuur vatte. Nu grepen vier zijner tochtgenooten den paal aan en stielen dien in het éénige oog van den reus; zij drukten het hout met geweld naar beneden en boorden het oog er mede uit. gelijk men een boor in de balken van hel schip indrijft. Odysseus draaide den paal rond, zoodat het bloed ziedend te voorschijn sprong.

Het vuur verzengde de wimpers en de wenkbrauwen, het oog siste als water, waarin gloeiend ijzer gedompeld wordt. Met een afgrijselijk gebrul sprong de reus overeind; hij trok den van bloed druipenden paal uit zijn oog en slingerde hem weg, vervolgens riep hij de in de nabijheid wonende Cyclopen te hulp. Zij hoorden zijn geroep en snelden toe. «Welk leed is u overkomen. Polyphemus, dat gij zóó brult?" vroegen zij. «Heeft een der onsterfelijken uwe kudde u ontroofd? Wil een hunner u dooden? Heef! één van hen met list of geweld u overvallen?"

«Niemand doodt mij door list, vrienden. Niemand doet mij geweld aan," schreeuwde Polyphemus.

Lachend antwoordden de anderen: »Wanneer niemand u, eenzaam levende beleedigt, wanneer gij slechts door Zeus met ziekte bezocht wordt, dan kunnen wij u niet helpen," en met die woorden verwijderden zij zich.

De blinde reus sloeg met de handen om zich heen; vervolgens zette hij zich aan den ingang der grot neer en schoof den steen een weinig ter zijde. Niemand der vijanden wilde hij uit zijn hol lalen, maar alleen zijn vee, opdat hel de weiden zou opzoeken. Kik dier, dat door de opening ging, betastte hij daarom zorgvuldig. Maar Odysseus wist raad te schatten. Eenige van de sterkste rammen bond hij drie aan drie te zamen, en aan den huik dezer dieren bevestigde hij een zijner makkers. Zoo kwamen zij gelukkig buiten het hol. Hij zelf koos den sterksten bok uit; plaatste zich onder aan diens wolligen buik en hield zich aan de haren vast. Ook hem droeg de bok naar buiten, zonder dat de blinde het bemerkte.

De Grieken bereikten gelukkig hunne schepen, en roeiden snel naar de open zee, oin liet nabijgelegen eiland tc bereiken. Odysseus kon liet niet nalaten den Cycloop te beschimpen en noemde hem ten slotte ook zijn waren naam.

Al slingerde Polyphemus tot tweemalen toe een geweldig rotsblok naar het schip, toch wislen de roeiers aan het dreigend gevaar te ontkomen. Hierop smeekte de blinde zijn vader Poseidon, dat deze Odysseus op zijnen verderen tocht mei zijne wraak vervolgen zou. Poseidon hoorde het gebed van zijn zoon.

Nadat Odysseus en de zijnen zicli weer mei de overige schepen vereenigd, de rammen verdeeld en één daarvan aan Zeus geotterd hadden, zetten zij gezamenlijk hunne reis voort.

Zij bereikten spoedig het drijvend eiland, door Aeölus, den bewaarder

Sluiten