Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergeefsehe pogingen der vrijers om den boog te spannen. 341

Men stookte hel vuur op en haalde vet, maar hoe de vrijers ook hun uiterste best deden, zij waren niet in staat om (Jen boog te spannen. Terwijl allen hel beproefden hadden Eumaeüs en Philoetius de zaal verlaten. Odysseus volgde hen; in den voorhof gekomen sprak hij hen aldus toe: »lk heb u beiden wat te zeggen, mijn hart dringt mij lot spreken. Wanneer Odysseus in dezen oogenblik plotseling uit den vreemde herwaarts keerde, zoudt gij zijne medestanders zijn, of zoudt gij aan de zijde der minnaars strijden? Spreekt vrij uit, zooals uw hart het u ingeeft."

De koeherder antwoordde: «Vader Zeus, vervuldet gij slechts mijn wensch, dat de held terugkeerde, waarlijk, gij zoudt zien wat mijne handen konden uitrichten, zoo het er op aankwam hem te helpen." Op dezelfde wijze smeekte Eumaeüs de onsterfelijke goden, dat de wijze Odysseus in zijn huis terugkeeren mocht.

»IIier ben ik," riep Odysseus, »na twintig jaren van beproeving ben ik weergekeerd en waarlijk, zoo gij mij helpt om de vermetele vrijers te bedwingen. dan zal ik buizen voor u laten bouwen, dan zult gij mij als eigen broeders zijn en opdat gij mij zeker herkennen moogt, hier is het litteeken van de wond, mij eens door een ever toegebracht.

Op dit gezicht barstten de beide trouwe dienaars in een stroom van vreugdetranen los; zij verwelkomden hunnen vorst van heeler harte, omarmden hem en kusten zijn gelaat en zijne schouders. Toen de eerste ontroering voorbij was, gaf Odysseus zijnen getrouwen de noodige bevelen. Eumaeüs moest zorgen, dat Penelope met haren geheelen vrouwenstoet zich in de bovenvertrekken opsloot. Philoetius moest de poort van het voorplein zorgvuldig sluiten, zoodat niemand het paleis verlaten kon.

In de zaal teruggekeerd hoorde Odysseus, hoe Antinoüs den voorslag deed om den wijdstrijd tot den volgenden dag te verdagen. Dit gaf hem aanleiding tot het verzoek, of hij den boog eens mocht spannen, om te zien ot zijne kracht nog dezelfde als vroeger, dan wel ten gevolge van ellende en gebrek afgenomen was. De vrijers weigerden dit op trotschen toon; zij achtten zich door de vraag zelve reeds beleedigd; Penelope daarentegen nam de partij van den vreemdeling op en werd hierin bijgestaan door Telemachus, die verklaarde, dat hij alleen het recht bad om over den boog te beschikken en die zijne moeder aanspoorde om zich naar haar eigen vertrek te begeven.

Zij volgde dien wenk op, verliet de zaal met hare dienstmaagden, en keerde naar haar eigen vertrek terug, waar zij om Odysseus weende, totdat een vaste slaap, haar door Athene toegezonden, haar zachtkens de oogen sloot. Nadat Eumaeüs den boog, op Telemachus' bevel, aan den bedelaar ter hand had gesteld, beval hij Euryclea, de meisjes goed op te sluiten, zoodat niemand van haar het vertrek verlaten kon. Ook Philoetius sloot de poort van het paleis zorgvuldig dicht. Vervolgens keerden beiden in de zaal terug.

Odysseus had den boog ter hand genomen; nauwkeurig beschouwde hij het wapen, of wellicht in den langen tijd van zijne afwezigheid de wormen het hoorn ook doorknaagd hadden, vervolgens greep hij het in de linkerhand terwijl hij met de rechter de kracht van het koord beproefde. Een donderslag verstrekte hem tot teeken, dat Zeus zijne onderneming begunstigde. Nu greep hij den pijl, die voor hem op eene tafel lag, trok snel de pees aan en schoot den pijl met geoefende hand door de twaalf ooren der bijlen. «Waarlijk Telemachus," riep hij, »de vreemdeling doet u in uw paleis geen schande aan: maar nu is het tijd om de vrijers den laatsten maaltijd te bereiden, met deze woorden gaf hij zijn zoon een heimelijken wenk. Deze wierp ijlings zijn zwaard om, greep zijn speer vaster in zijne hand en plaatste zich gewapend achter zijn vader.

Odysseus greep den pijlkoker en schudde de pijlen voor zijne voeten uit, vervolgens sprong hij op den hoogen drempel en riep den vrijers toe:

«Dezen wedstrijd kunnen wij als geëindigd beschouwen, maar nu kies ik mij een ander doel, dat nog geen schutter getroffen heeft.

Sluiten