Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

348

waartoe de eerste ondernemende volksplanters behoorden, die hun gebied aan de oorspronkelijke bewoners van het land ontrukt en onder elkaar verdeeld hadden.

Nadat de pas gestichle staten op duurzamen grondslag waren gevestigd, werd de afscheiding tusschen den adel en het overige volk steeds sterker en scherper; bet volk was eindelijk nauwelijks iets meer dan eene van den adel afhankelijke menigte, zonder gedachte en zonder wil. Hoe meer echter de macht van den adel over het volk zich uitbreidde, des te meer moest zij ook voor de koningen merkbaar worden.

Trotsch op zijn rijkdom, op zijn erfelijk grondbezit, op de overmacht, waarop hij tegenover de groote menigte aanspraak maakte, op de dapperheid, welke hij in den oorlog ten toon gespreid had, voelde de adel des te dieper en smartelijker den druk. welken hij op zijne beurt van eene hoogere macht, die des konings, te lijden had. In ieder tijdperk der geschiedenis, van den grijzen voortijd af. tot in de nieuwe geschiedenis toe. doet dit verschijnsel zich voor. De adel, die den koning trouw ter zijde staat, zoolang het koningschap hem noodzakelijk schijnt om, door de ondersteuning daaraan verleend, over de groote massa des volks te heerschen, wordt tot den gezworen vijand der koninklijke macht in denzelfden oogenblik, waarin hij haar niet meer noodig heeft. De machtigen zijn altijd bezield met de natuurlijke neiging om hunne macht nog te vermeerderen; kan dit naar beneden niet geschieden, omdat bet volk in een toestand van volstrekte afhankelijkheid verkeert, dan trachten zij bun invloed naar boven uit te breiden. Zoodra het volk slechts eene weerlooze massa zonder eigen wil geworden is, van wier zijde men geen opstand tegen den haar opgelegden druk te vreezen heeft, en die door den adel, alleen beperkt door de koninklijke macht, overheerscht wordt, vangt de strijd (usschen den adel en het koningschap aan.

In de Grieksche staten werd deze strijd nog bevorderd door de enge grenzen der afzonderlijke landen. Hoe gemakkelijk viel het den edelen, zich met elkander te verstaan; de een kende den ander persoonlijk; in de raadsvergaderingen. die sinds overoude tijden gehouden werden, zaten zij naast elkaar. Slechts de kracht hunner wapenen hield de koninklijke macht staande; zoo zij zich vereenigden, kon deze dus vernietigd worden. Welk middel bezaten de koningen om dit dreigend gevaar af te wenden? Slechts één bondgenoot hadden zij; het volk. Toch schroomden zij, hulp te vragen van die zijde. Want het volk was een onmondige, ongewapende, in den oorlog onbedreven hoop, alleen gewoon aan blindelings gehoorzamen.

Zoo zien wij in de meeste Grieksche staten, zoowel op het vasteland als in de koloniën, het koningschap langzamerhand in den strijd met den naar grootere macht strevenden adel ondergaan. Van de geschiedenis van dien strijd weten we weinig; alleen de uitkomst is ons bekend. Hier en daar bleef wel de naam bestaan: in enkele staten bestuurden koningen zonder macht, slechts door den uitwendigen glans van het koningschap omstraald, nog de offerplechtigheden; maar reeds in de achtste eeuw v. C. is het koningschap in Griekenland bijna overal van zijne vroegere hoogte neergeworpen, en in de zevende eeuw wordt daarvan nauwelijks meer een spoor aangetroffen. Alleen de noordelijke staten maken hierop eene uitzondering.

Dal de koninklijke waardigheid in Griekenland zoo algemeen afgeschaft kon worden, had zijn grond in de omstandigheid, dat de Helleensche koningen een bondgenoot misten, die zich door alle tijden heen den trouwsten en onwankelbaarsten steun der vorsten betoond heeft, en wiens streven altijd ten doel had, de koninklijke macht in zijn eigen voordeel staande te houden: een afgesloten priesterstand.

De dichterlijke godsdienst der Grieken liet het ontstaan van een van het volk afgezonderden, met bijzondere rechten begiftigden priesterstand niet toe. Ijij verlangde niet. dat de mensch voor eene toekomende wereld leefde; hij eischte niet, dat hij zich bewegen zou in eene sfeer, die aan zijne geheele

Sluiten