Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

358

zij, die zich in Laconië en op Creta gevestigd hadden, een strengen, ruwen aard en een volslagen gebrek aan zin voor alles wat het leven kan veraangenamen, terwijl daarentegen bij de Ioniërs, inzonderheid bij de Atheners, eenc verfijnde beschaving, een ontwikkelde kunstzin en eene waardeering van de genietingen des levens werd aangetrotlen, die dikwijls overschatting werd, en al onderscheidden de Boëotiërs zich op hunne beurt weer door eene aan onbeschaamdheid grenzende verachting van alle vormen van wellevendheid, — allen waren en bleven toch Hellenen, allen stonden in eigen oog ver boven de verachte barbaren, gelijk alle niet-Grieksche volken zonder onderscheid door hen genoemd werden. Hoe dikwijls de verschillende staten ook in een Moedigen oorlog met elkander gewikkeld waren, hunne gemeenschappelijke afkomst vergaten zij toch nooit. Tegenover bet buitenland gevoelden zij zich steeds één volk en die volle eenheid trad ook naar buiten aan het licht in meer dan één karaktertrek, dien alle stammen met elkaar gemeen hadden. Alle Grieken waren dapper, krijgshaftig, met een scherpzinnig oordeel en een open zin voor poëzie en kunst begaafd, maar daarbij ook hartstochtelijk en dikwijls wreed. Het spreekt echter van zelf, dal bij den éénen stam deze, bij den anderen gene eigenschap meer op den voorgrond trad.

De voornaamste band, die de verschillende stammen tot ééne natie verbond, was hun dichterlijke godsdienst, welke een krachtigen invloed op de geestelijke ontwikkeling van het geheele volk heeft uitgeoefend. Een beroemd geschiedschrijver zegt:

«Hierdoor was het mogelijk, dat verstand en gevoel, dat de geheele beschouwingswijze der Grieken een gelukkig evenwicht bewaarde tusschen pliantasie en werkelijkheid, tusschen poëzie en proza, tusschen het bovenaardsche en het aardsche, tusschen spanning en rust, tusschen het scheppend optreden en het lijdelijk ontvangen van indrukken, tusschen het uitsluitend zich bezig houden met de geestelijke en het vergoden van de zinnelijke wereld. Hunne eigenaardige begrippen omtrent de wereld en het leven waren het gevolg van dit standpunt, waarmee hun volkskarakter ten slotte als hel ware vereenzelvigd werd. Voor hunne poëzie treedt het bovenzinnelijke, het goddelijke en geestelijke, niet anders dan in de natuur en in de gedaante des menschen aanschouwelijk op. Hun godsdienst is ten gevolge hiervan niet in staat om de goden en geestelijke wezens van het leven der natuur en het leven der menschen af te scheiden. De geheele natuur is den Grieken eene openbaring, in zekeren zin het lichaam der geestenwereld. Zij is overal met geesten bevolkt en dus overal met leven vervuld. De Grieken aanschouwen de godheden in de beken en bronnen, in de eiken en rotsgrotten, op de hoogte der bergen en in de diepte der wouden, in de bewegingen der zee en in de verschijnselen van het uitspansel.

In de majesteit van den lioogen hemel aanschouwen zij Zeus, in den geweldigen golfslag der zee gevoelen zij de macht van Poseidon, iu het loeien van den orkaan en het ratelen van liet onweer zien zij de strijdende, in de helderblauwe lucht de zegepralende Athene, in den reinen zonnestraal den vlekkeloozen god der uiterlijke reinheid, Apollo. Op gelijke wijze worden zij het aanwezen en de macht der goden gewaar in de lotgevallen en de omwentelingen der staten, in den strijd, die er niet zelden plaats grijpt in de menschelijke borst.

Deze opvatting van de verschijnselen der natuur en der menschenwereld heeft bij de dichters de geboorte gegeven aan de verhevene voorstellingen van de Grieksche goden, waarvan de stof zoowel aan de zinnelijke als aan de geestelijke wereld met al haar afwisseling en strijd is ontleend" * .

*) Mai üuncker in zijne Gesch. der Oudheid. Wie den godsdienst der Grieken nader wenscht te leeren kennen, raadplege het werk van Dr. J. W. G. van Oordt, de godsdienst der Grieken met hunne volksdenkbeelden, Haarlem A. C. Kruseman 1864.

Sluiten