Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

383

Deze werden in de hardste slavernij gehouden; zij waren lijfeigenen, het eigendom van den slaat, en door dezen onder den adel verdeeld. Alleen de staat bezat het recht om hun de vrijheid te schenken. Dewijl zij voor den adel den grond moesten bebouwen en geen bepaald dagloon ontvingen, stond men hun de helft der opbrengst van den oogst tot hun eigen onderhoud af. I)e oudste zonen bestuurden de adellijke goederen, de jongeren weidden de kudden of werden in den persoonlijken dienst der edellieden gebruikt, die zij ook in den oorlog als wapendragers volgden. De Heloten moesten eene bepaalde kleederdracht, de lederen kap en het schaapsvel — de oude boeren kleeding der Achaeërs — dragen. Nooit mochten zij zich in het gebruik der wapenen oefenen, terwijl het zingen van krijgsliederen hun streng verboden was; voortdurend stonden zij onder het scherpste toezicht, ondei een stelsel van bespieding, dat hen dikwijls tot wanhoop bracht.

Jaarlijks in den herfst, zoodra de ephoren hun ambt aanvaard hadden, gaven zij aan eenige honderden Spartaansche jongelingen, den handigsten en geslepensten, het bevel tot de Crypleia d. i. tot de heimelijke jacht. De jongelingen moesten, niet het zwaard aan de zijde en den ransel met levensmiddelen op den rug, zich op de Helotenjacht begeven. Hunne taak was het, heimelijk liet land at te loopen, de Heloten in hunne bulten en op de plaatsen hunner samenkomst te beloeren, zonder zelf gezien te worden. Zoodra zij ergens verdachte gesprekken hoorden, moesten zij die den ephoren meedeelen, die dan bepaalden dat de schuldigen in alle stilte uil den weg moesten worden geruimd. I)e jongelingen moesten den sluipmoord volvoeren zonder opzien te wekken. Zoo werden, gelijk Plutarchus ons mededeelt, de sterksten en besten der Heloten uitgeroeid. Door de Crypteia smoorden de ephoren eiken opstand bijna in de geboorte, terwijl die afgrijselijke uienschenjacht hun tegelijkertijd lot een middel verstrekte de jongelingen in den krijgsdienst te oefenen. Dun listig rondsluipen, hun bivouakeeren in de wouden gewende de jongemannen aan de gevaren van den oorlog; de sluipmoorden, op de Heloten gepleegd, maakten hen met bloedvergieten gemeenzaam.

Dat de onderdrukten als mcnsch ook rechten zouden hebben, kwam bij de Spartanen niet op. Zelfs gebruikten zij de Heloten lot een afschrikkend voorbeeld voor hunne knapen, door de ongelukkigeu te dwingen om gemeene dansen uit te voeren, ontuchtige liederen te zingen ot zich dronken te drinken, opdat de jeugd zich met afschuw van hen afkeeren zou. Van tijd tot tijd. wanneer een opstand der Helolen hen met een ernstig gevaar bedreigde, werden de slaven op eene groole schaal uitgeroeid. Men verhaalt o. a. dat in de vijfde eeuw duizenden hunner heimelijk uit den weg werden geruimd.

Om de ruwe middelen, waardoor de Heloten in bedwang werden gehouden. met goed gevolg te kunnen aanwenden, moest de adel vrij zijn van alle zorg voor liet onderhoud zijns levens; bij moest zich geheel en al aan zijne wapenoefeningen en aan de zorg voor het staatsbestuur kunnen wijden en als een dicht aaneengesloten drom tegenover het weerlooze volk staan. Binnen den kring van hunne vereeniging mocht niemand zich door rijkdom onderscheiden, | alle adellijken moesten zoo mogelijk even rijk en even machtig zijn. Tot bereiking van dit doel verordende Lycurgus, dal ieders vermogen aan dat van de overigen gelijk zou gemaakt worden, opdat de bezitting van den één althans ongeveer met die van den ander overeenkomen zou.

Plutarchus verhaalt, dat Lycurgus het geheele land in !)000 groote deelen voor den adel en in 30,000 kleine deelen voor de Perioeken verdeeld heeft. Deze opgave van den ouden geschiedschrijver wordt echter, en met recht, door nieuwere onderzoekers in twijfel getrokken. Waarschijnlijk werden slechts — ten einde aan de van alle grondbezit ontbloote familiën eenige goederen toe te wijzen en de kleine bezittingen van den adel in zulke mate te vergrooten, dat een familie van de opbrengst leven kon — die landerijen gebruikt, welke de koningen tot dusver bezeten hadden en die in het bezit van den staat

Sluiten