Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

387

eene levensvraag, de knapen, zoodra zij begonnen te denken, onder zijn toezicht te nemen en hunne opvoeding stelselmatig te regelen.

Een hooggeplaatst beambte, de paedonomus, bijgestaan door vijf aan hem ondergeschikte opzieners — één voor elke wijk der stad — was belast met bet toezicht op bet geheele opvoedingswezen, dat onder het hooger toezicht der ephoren stond. Aanstonds bij de geboorte van den knaap deed de staat zijne aanspraken op hem gelden. Nauwelijks had het kind het levenslicht aanschouwd, ol twee opzettelijk hiertoe benoemde beambten, de geslachtshoofden der afzonderlijke adellijke stammen, traden het huis der ouders binnen; zij moesten beoordeelen of uit den jonggeborene een goed soldaat kon groeien; bevonden zij dat bij zwakkelijk of — erger nog — met een lichaamsgebrek behebt was, dan was bet doodvonnis van dat kind geveld; het werd in eene kloof van het Taygetusgebergte, die hiertoe in het bijzonder bestemd was, te vondeling gelegd en aan den hongerdood ter prooi gegeven.

Gedurende de eerste zeven jaren van zijn leven bleef de knaap toevertrouwd aan. de zorg van zijne moeder of van de voedsters, gehuurde vrouwen der Perioeken, die de kunst om kinderen krachtig en gezond groot te brengen, zóó goed verstonden, dat zij in latere eeuwen in alle Grieksche staten als voedsters gezocht waren.

Op zijn zevende jaar werd de knaap uit het ouderlijk huis verwijderd, om op kosten van den staat in groote, op kazernen gelijkende opvoedingsgestichten tot zijn dertigste jaar te worden opgevoed. In deze inrichtingen waren de oudere knapen belast met het toezicht over hunne jongere makkers, die in kleine afdeelingen verdeeld waren. Het eerste en voornaamste doel der opvoeding was; de knapen tot den oorlog te harden. Terstond bij hunne intrede in het opvoedingshuis werden hunne haren kort afgeschoren en ontvingen zij een bed van stroo zonder dek. Van hun vijftiende jaar af moesten zij slapen op riet, dat zij zelf aan de oevers van den Eurotas hadden gesneden. Zoowel des winters als des zomers liepen zij zonder schoenen en zeer dun gekleed; van hun twaalfde jaar af was hun zelfs bet dragen van het wollen hemd niet meer geoorloofd; zij moesten zich vergenoegen met den mantel, een niet te groot vierkant stuk lijnwaad, hetwelk zij over den linker schouder wierpen en om den rug heen onder den rechter arm doortrokken.

De voeding der knapen was schraal, ja niet eens voldoende om hun honger te stillen. Zij moesten zich reeds vroeg niet alleen aan honger en dorst gewennen, maar ook zich oefenen, om zich, even als in den oorlog, op listige wijze levensmiddelen te verschaffen. Het was hun veroorloofd die te stelen, maar zij mochten zich daarbij niet laten betrappen. Zoodra een knaap bij een diefstal overvallen werd, ontving hij eene strenge kastijding, hetzij van dengeen, die hem betrapt bad, hetzij van de roedragers, die den paedonomus overal vergezelden. Hadden de knapen met gelukkigen uitslag een diefstal begaan, dan mochten zij het gestolene behouden en zich op hunne list en geslepenheid beroemen.

Men verhaalt, dat een knaap eens een jongen vos gestolen en voor de oogen van den eigenaar in zijn mantel weggedragen had. Het woedende dier reet den kleinen dief den buik open, maar deze vertrok geen spier van zijn gezicht, om zich niet te verraden. Zulk eene zelfbeheersching werd als de hoogste deugd der knapen beschouwd; jaarlijks moesten zij daarvan blijken geven bij de geeselingen, die zij bij hel altaar van Artemis ondergingen, niet als straf, maar alleen om te toonen of zij genoeg zelfbeheersching hadden, om het gevoel van pijn te onderdrukken. Wie de geeseling het langst uithield, was overwinnaar. Soms gebeurde het, dat knapen, zonder één kreet van smart te uiten, dood onder de geeselslagen neervielen.

De gymnastiek maakte de hoofdzaak der opvoeding uit; dewijl het hierbij niet aankwam op het vormen van athleten, maar van soldaten, legde men zich niet op het vuistgevecht, noch op de wedrennen te paard of met den

25*

Sluiten