Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Perzische vloot door storm vernield. Herauten van Darius. 455

In den zomer van hel jaar W3 trok Mardonius den Hellespont over. De vloot ontving in last langs de zuidkust van Tliracië te zeilen, terwijl het leger in westelijke richting op marsch ging. Zonder gevechten van eenig belang te leveren werden de Thracische steden onderworpen. Macedonië huldigde insgelijks de Perzische opperheerschappij.

Zag de landmacht haar krijgstocht alzoo met een gelukkigen uitslag bekroond, de vloot werd door een zware ramp getrollen. Bij het omzeilen van kaap Athos stak een geweldige storm op; 300 schepen met 20.000 rnenschen verdwenen in de golven. Mardonius waagde het niet, verder door te dringen, maar voerde zijn leger naar Azië terug.

Wel had deze veldtocht belangrijke gevolgen gehad, want uitgestrekte landstreken hadden opnieuw voor het Perzische zwaard moeten bukken, maar tevens had men ondervonden, dat de weg over land door Tliracië en Macedonië zeer lastig en gevaarlijk was. Darius besloot derhalve een tweeden tocht langs een anderen weg te doen plaats vinden. Eene talrijke, sterk bemande vloot moest liet eiland Naxos veroveren, van hier naar Euboea zeilen, om Eretria te tuchtigen, en daarna Attica aantasten.

Terwijl de toebereidselen tol deze onderneming gemaakt werden, zond Darius, in het jaar 491, herauten naar de Grieksche eilanden en naar de staten van liet vasteland, om van de Hellenen onvoorwaardelijke onderwerping te eischen. Tot teeken hiervan moesten zij den grooten koning aarde en water overzenden.

De afzonderlijke Grieksche steden gevoelden zich te zwak om met het klein aantal hopliten. die zij in hel veld konden brengen, aan het reusachtig leger van den Perzischen koning het hoofd te bieden; de Cvcladen, de eilanden, welke het eerst aan den aanval der Perzen waren blootgesteld, willigden zonder eenigen tegenstand den eisch van Darius in. Ook Aegina gaf aarde en water; de adellijke Doriërs, die over het eiland regeerden, verklaarden zich tot onderdanen van den Perzischen vorst; ook de staten van het vasteland volgden dit voorbeeld, bijna allen vernederden zich door liet teeken der onderwerping aan Darius' gezanten ter hand te stellen.

Alleen Sparta en Athene maakten hierop eene uitzondering.

Diep gekrenkt door den vernederenden eisch, om zich zondereenigen wederstand te onderwerpen, vergaten zij zelfs de rechten der herauten, die door alle Grieken heilig werden geacht. De Spartanen wierpen de beide Perzen, die als afgezanten van Darius tot hen gekomen waren, in een put: daar mochten zij aarde en water halen. Te Athene stelde Milliades voor, de herauten als misdadigers ter dood te brengen; als zoodanig werden zij neergeworpen in den Barathron, den beruchten afgrond, waarin de landverraders den dood plachten te vinden. Op voorstel van Themistocles volgde ook de Griek, die hun tot tolk gediend had, hen in den dood.

Den moord zijner herauten kon Darius niet vergeten. Thans gold het een strijd op leven en dood. Zegepraal of ondergang, geen ander lot stond nu den Spartanen en Atheners te wachten.

Voordat Athene iets ondernomen kon, moest aan den lastigen, nog altijd voortdurenden oorlog met Aegina een eind worden gemaakt. Een gezantschap trok naar Sparta en klaagde daar de Aegineten aan. dat zij. door hunne onderwerping aan de Perzische oppermacht, verraad jegens Griekenland gepleegd hadden.

De Aegineten behoorden tot bet Peloponnesisch verbond, Sparta was dus van zelf als rechter in deze zaak aangewezen, en kon zich thans aan dezen plicht niet onttrekken, daar de oude naijver op Athene door het gemeenschappelijk gevaar, dat de beide sfalen bedreigde, tot zwijgen werd gebracht.

Aan koning Cleomenes werd de taak opgedragen naar Aegina te reizen en daar, in bet belang van Hellas, die mannen in hechtenis te nemen, die het besluit tot onderwerping aan den Perzischen koning in den raad doorgedreven hadden. Zij moesten bij den oorlog met Perzië, die weldra stond uit te breken, als gijzelaars voor de trouw van Aegina borg staan.

Sluiten