Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4P2 Themistocles te Spavta geëerd, te Athene verdacht. Mardonius.

eerbewijzen, als men nooil te voren aan [een vreemdeling geschonken had. De Spartanen gaven hein den schoonsten wagen, dien zij bezaten, ten geschenke en wezen hem den eereprijs voor wijsheid en beleid toe. Wel gaven zij den prijs der dapperheid aan Eurybiades, doch beide eereteekens waren van gelijke waarde; zij bestonden in een krans van olijftakken.

Toen Themistocles naar Athene terugkeerde, deden de 300 Spartaansche ridders, die de Spartaansche koningen in den oorlog plachten te vergezellen, hem uitgeleide. Ook bij de daarop invallende Olympische spelen waren de oogen van alle toeschouwers op Themistocles, te dien tijde den ineest beroemden man van geheel Griekenland, gericht. Een ieder bewonderde hem, zijn lof weerklonk van aller lippen, het was het roemrijkste tijdstip van zijn leven.

De Atheners bewezen hun uitstekendsten staatsman niet dezelfde hulde. Zij konden het hem niet vergeven, dat hij het aanbod der Alheensche scheepsbevelhebbers, om de Perzen in de richting van den Hellespont te vervolgen, van de hand gewezen bad. Ook sprak men met verontwaardiging van de geldafpersingen, waaraan hij zich bij den tocht naar de Cycladische eilanden had schuldig gemaakt.

Themistocles was slim genoeg geweest te zorgen, dat men geene aanklacht tegen hem kon indienen; hij was daarenboven gedekt door de verantwoordelijkheid van den opperbevelhebber Eurybiades; maar toch was zijn aanzien ondermijnd. Daarentegen schitterde de' naam van Aristides, den onomkoopbare, met nieuwen luister. Toen in het volgende jaar de verkiezing der strategen plaats had, behoorde Themistocles niet tot hun getal, terwijl die waardigheid wel aan Aristides en Xanthippus was opgedragen. De eerste ontving het bevel over het leger, de laatste verving Themistocles als opperbevelhebber der vloot.

In Atlica was na den aftocht der Perzen de vroegere orde van zaken spoedig weder hersteld. De burgers keerden naar de bouwvallen hunner verbrande steden en dorpen terug en beijverden zich om die zoo spoedig mogelijk weder bewoonbaar te maken. De tempels werden herbouwd, de muur van Athene werd weder opgetrokken. Te gelijker tijd rustte men zich duchtig ten oorlog uit, want tegen hst voorjaar wachtten den Grieken nieuwe gevechten, die wellicht nog gevaarlijker konden woorden dan de vorige.

Mardonius stond nog met de beste troepen — de kern van liet Perzische leger — in Thessalië; hij wachtte slechts totdat Artabazus zich met hem vereenigd zou hebben, om den veldtocht te openen. Artabazus kwam later in Thessalië aan dan Mardonius gedacht had; hij moest den tegenstand der Thracische kuststeden, die in opstand waren gekomen, eerst onderdrukken, eer hij zijn marsch zonder gevaar voortzetten kon. De stad Olynthus werd na een heiligen tegenstand door de Perzen ingenomen. Artabazus liet de geheele bevolking tot den laatsten man nederhouwen, om een afschrikkend voorbeeld te stellen. Niet zóó gelukkig liep zijn strijd tegen de stad Potidaea, op het schiereiland Pallene, af. Maanden lang hield hij haar ingesloten en toch moest hij eindelijk onverrichter zake aftrekken. Na zware verliezen te hebben geleden — zijne afdeeling, <10.000 man sterk bij het verlaten van Sestus, was tot 40,000 man versmolten — kwam hij eindelijk bij het leger van Mardonius aan.

Voordat Mardonius het besluit nam den veldtocht te beginnen, wilde hij eene poging wagen om de macht der Hellenen door middel van onderhandelingen te verzwakken. In het geheim had hij de Argiven tot het sluiten van een verbond aangezocht en de verzekering vau de grootst mogelijke bereidwilligheid van hunne zijde ontvangen. Van meer belang nog scheen het de Atheners tot zijne zijde over te halen.

Mardonius wist de geestkracht en den heldenmoed te waardeeren, door de Atheners in het vorige jaar aan den dag gelegd. Alleen aan de Atheensche vloot had Griekenland zijne zegepraal te danken; gelukte het hem dus, Athene

Sluiten