Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Chileus. De Atheners verhuizen naar Salamis. Lycidas gedood. 495

Toevallig bevond Chileus van Tegea, een man die wegens zijne wijsheid in hoog aanzien stond, zich toen te Sparta. Deze vernam, hoe misnoegd de gezanten waren, en waagde eene poging om voor hen bij de ephoren tusschenbeide te komen. Hij hield dezen voor, dat Sparta alleen tegen de Perzen verdedigd kon worden, wanneer Athene de bondgenoot van den Peloponnesus was; dat de muur op den Isthmus volstrekt niet voldoende was om het binnenrukken van den vijand in den Peloponnesus te beletten, dat alleen de Atheensche schepen hiertoe in staal waren. Zou Athene nog weerhouden worden van het bondgenootschap op te zeggen, dan moest men. naar zijne meening, met den meesten spoed te werk gaan. Het gelukte Chileus, de ephoren te overtuigen; nog in denzelfden nacht gaven zij aan 5000 Spartanen bevel om naar den Isthmus op marsch te gaan. Toen de gezanten van Athene, Megara en Plataeae den volgenden morgen verschenen, om hunne korte en bondige verklaring af Ie leggen, ontvingen zij tot hunne hoogste verbazing ten antwoord, dat de 5000 hopliten reeds op marsch waren en stellig reeds over de grenzen op Arcadisch grondgebied stonden. Met dit bescheid keerden de gezanten naai' hun vaderland terug.

In dien tusschentijd was Mardonius Boeölië binnengerukt, nadat hij zich met Arlabazus vereenigd eu de Macedonische en Thessalische strijdkrachten aan zich getrokken had. Ook de Locriërs en Phocensers moesten hem hulptroepen zenden. Zonder den minsten tegenstand te ontmoeten drong hij tot aan hel Cithaerongebergte, de grensscheiding tusschen Boeötië en Attica.door.

De Atheners wachtten dag aan dag Ie vergeefs op den uilslag van hun gezantschap naar Sparta. Een groot deel der Attische hopliten bevond zich op de vloot; de strijdkrachten, welke Athene tegen die der Perzen kon overstellen, waren veel te zwak om zelfs de geringste poging lot verdediging van hel Cithaerongebergte Ie kunnen wagen. Niels bleef hun dus over, dan ten tweeden male Altica te ontruimen en de steden en dorpen, die gedurende den afgeloopen winter herbouwd waren, opnieuw den vijand prijs te geven.

De geheele bevolking van Atlica stak naar Salamis over en zocht hier in de rotskloven eene schuilplaats. De Perzen rukten hel land binnen; Mardonius drong met snelle marschen tot Athene door en vestigde hier in liet midden van Juli 479 zijn hoofdkwartier. Hij had zijnen (roepen de strengste tucht aanbevolen; de steden en dorpen mochten niet, gelijk vroeger, te vuur en te zwaard verwoest worden. Door deze zachte behandeling hoopte hij de Atheners te bewegen hem een gunstiger oor te leenen dan de vorige maal, wanneer hij hun nogmaals vredesvoorwaarden aanbood. Een Griek. Mnrichides genaamd, werd naar Salamis afgezonden, om aan het volk dezelfde voorstellen te doen, welke koning Alexander van Macedonië hun reeds vruchteloos in de volksvergadering gedaan had. Murichides verscheen in den raad der vijfhonderd en bracht zijne boodschap over; nu stond een der raadsleden, Lvcidas, op en drong er op aan, dat men de voorstellen van Mardonius niet 'af zou wijzen, maar dat de raad aan het volk mededeelen zou, dat alleen op die wijze het land en de slad gered konden worden. Lycidas bleef alleen staan met zijn gevoelen; al de overige raadsleden waren verontwaardigd over zulk eene lafhartigheid en hadden het vaste besluit genomen om zich, in weerwil van Sparta's trouweloosheid, tot den laatsten ademtocht te verdedigen. Geen voorstel van den raad werd in de volksvergadering ingediend; het zou hier ook zeker niet zijn aangenomen; want, indien de raadsleden over de lafheid van Lycidas vertoornd waren, het volk was daarover buiten zich zelf van woede. Toen Lycidas de raadsvergadering verliet, waren zijne woorden reeds bij geruchte onder het volk verspreid; de woedende volkshoop wierp zich op hem en steenigde hem; de Attische vrouwen schoolden samen, bestormden het huis, waarin de vrouw en de kinderen van den vermoorde zich bevonden, en deden ook deze önschuldigen met hun leven voor de woorden van hun man en vader boeten.

Sluiten