Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I ausanias teruggeroepen. Bijdragen der bondgenooten.

507

lerugkeeren zou, om zich te verantwoorden. Hij gehoorzaamde aan dit bevel; alleen het Peloponnesisch eskader vergezelde hem.

De Atheners en Ioniërs bleven achter en thans namen de Atheners metterdaad het opperbevel over, hetwelk zij niet voornemens waren, weer uit hunne handen te geven. Toen, korten tijd daarna, in plaats van Pausanias de Spartaan Dorcis kwam, wien de ephoren het opperbevel hadden opgedragen, zag hij, dat hem slechts ééne keuze overbleef; hij moest óf aan de opperbevelhebbers der Atheners ondergeschikt zijn, óf terugkeeren. Het eerste wilde hij niet, dus verkoos hij het laatste.

Athene bezat alzoo het onbetwiste opperbevel in het verbond met de Ionische eilanden. Thans kwam het er slechts op aan, dat verbond op hechte en duurzame grondslagen te vestigen. Aristides koos hiertoe dien vorm van bondgenootschap, welke bij alle Grieksche Staten het meest geliefd was, namelijk dien der Amphictyönie, waaraan hij in dit geval echter een sterk sprekenden staatkundigen achtergrond gaf.

Het heilige eiland Delos, de geboorteplaats van Apollo, werd tot het godsdienstig middelpunt van bet nieuwe eedgenootschap verheven; op Delos moesten zijne vertegenwoordigers bijeen komen. De priesters van Apollo waren hierover zoo verheugd, dat zij den bondgenooten het bezit der heerschappij ter zee aankondigden.

Aristides deed, als woordvoerder van Athene, den Ionischen eilanden en steden den voorslag, om allen zonder onderscheid vaste bijdragen te leveren tot het onderhoud van eene steeds strijdvaardige oorlogsvloot en tol het bijeenbrengen van een gemeenschappelijken schat. De bondgenooten keurden dit goed en droegen aan Aristides zelf de taak op om de bijdragen voor de verschillende staten te bepalen. Alleen de kleine steden, die niet in staat waren om een oorlogsschip uit te rusten, moesten hunne bijdragen in geld voldoen, de grootere steden daarentegen moesten schepen en manschappen leveren. De jaarlijksche bijdragen der gezamenlijke staten waren zeer aanzienlijk; zij bedroegen meer dan één millioen gulden van onze munt. Deze schat werd in het heiligdom van Apollo neergelegd; tot het beheer van die gelden riep men een nieuw ambt in het leven, hetwelk aan de Atheners opgedragen werd. Alle staten, die tot het verbond toetraden, zouden volkomen onafhankelijk van elkander zijn en een gelijk stemrecht bezitten in de vergaderingen, waarin besluiten werden genomen omtrent het besteden van de gelden voor zaken die het verbond betroffen. Athene werd aan het hoofd van het verbond geplaatst; het ontving het recht de vergaderingen bijeen te roepen en te leiden, de kas te beheeren, de bijdragen in te vorderen en bij iederen veldtocht de bevelhebbers te benoemen.

Sparla had liet vormen van dit nieuwe bondgenootschap lijdelijk aangezien; wel kwam in den beginne bij sommigen het voornemen op het recht van Sparta op het opperbevel over al de strijdkrachten van geheel Griekenland te laten gelden; doch dit denkbeeld werd door de voorstanders van den vrede met goed gevolg bestreden. Het tijdstip scheen voor een oorlog met Athene met gunstig, want binnenlandsche onlusten brachten het bestaan van den staat in gevaar; de beide machtigste mannen van Sparta hadden zich trouweloos gedragen.

^as men — en te recht — bevreesd, dat Pausanias zich door zijne eerzucht tot het streven naar de alleenheerschappij zou laten verleiden, de tweede koning, Leotychidas, had zich zelfs door de vijanden van Sparta laten omkoopen. In zijn strijd tegen de Aleuaden in Thessalië was hij aanvankelijk gelukkig geweest, maar bij maakte geen gebruik van de behaalde voordeden en weldra werd het te Sparta bekend, dat hij omgekocht was. Hij werd in de legerplaats gevat, en dewijl men eene groole som gelds bij hem vond, in ballingschap gezonden. Zijn huis werd onder den voet gehaald. Hij stierf latente Tegea in ballingschap.

Sluiten