Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De comedie. Cratinus. Crates. Aristophanes.

545

Was de tragedie voortgekomen uit de feestelijke spelen ter eere van Dionysus, nog meer onmiddellijk kwam daaruit de comedie voort.

Bij gelegenheid van den wijnoogst pleegden de landlieden gemaskerde optochten te houden. Onder schaterend gejuich zwierven ze dan door den omtrek rond, terwijl zij den lof van den god zongen en zich daarbij allerlei scherts en plagerij veroorloofden jegens hen, die den optocht ontmoetten. Elke vroolijke inval werd met een hartelijk gelach ontvangen en welwillend opgenomen, ook wanneer daardoor de zwakheden van een buurman of zelfs die van een hooggeplaatst inan scherp gegeeseld werden. Zoo ging het iu geheel Griekenland toe. Bijzonder vroolijk werden deze herfstfeesten ook in Attica gevierd. Van het land ging dit vroolijk spel naar de hoofdstad over. nam omstreeks den tijd der Perzische oorlogen het tooneel in bezit en werd van nu af door den staat erkend en uit de openbare schatkist bekostigd.

Gelijk de tragedie door de vermeerdering van het aantal tooneelspelers. door het invoeren van de samenspraak en door de verbetering van het koor zich tot een hooger trap van volkomenheid ontwikkelde, zoo werd ook gelijktijdig daarmede de comedie op dezelfde wijze ingericht. De comediedichters gaven daaraan echter altijd het karakter van gelegenheidsstukken; zij gebruikten het koor om in zoogenaamde parabasen de handeling af te breken en tegenover het publiek óf persoonlijke aangelegenheden óf vragen van den dag te bespreken. De taak der comedie was, alle dwaasheden en zwakheden der tijdgenooten op geestige, grappige wijs te geeselen. Het openbare leven met zijne rijke verscheidenheid was de bron waaruit zij hare stof putte, en wanneer de comediedichters daarbij ook al op den lachlust van het publiek speculeerden, toch lag een waarlijk diepe, zedelijke ernst aan hunne geheele werkzaamheid ten grondslag. Zij waren niet, gelijk de hedendaagsche kluchtspeldichters, er op uit de oppervlakkigheid van het publiek door gemeene platheden te streelen en zich daardoor bijval te verwerven; neen, zij beschouwden het als hunne roeping, even als de tragediedichters, leeraars en leidslieden van het volk te zijn en met hoogen ernst vermaanden zij, in den vorm van vroolijken scherts, het volk om aan de goede oude zeden getrouw te blijven en spoorden zij hel aan om het voorbeeld der oude vrijheidshelden te volgen. De onbeperkte vrijheid, in den democratischen staat aan het tooneel geschonken, veroorloofde den dichters de invloedrijkste mannen voor de rechtbank der comedie te trekken en het volk juichte hun toe, wanneer zij aan de lievelingen des volks dikwijls harde waarheden deden hooren. In de dagen van Pericles was Cratinus, met zijne onuitputtelijke luim, met zijne onverschrokken liefde tot de vrijheid. de lieveling der Atheners, die nooit aarzelde iemand, zelfs den machtigen Pericles, de waarheid te zeggen. Hij en zijn voorganger Crates zijn de eigenlijke grondleggers van de Attische comedie. Op hem volgde Aristophanes, die na den tijd van Pericles, gedurende en na den Peloponnesischen oorlog den hoogsten roem als blijspeldichter verwierf. Van zijne zestig stukken is nog een elflal in ons bezit.

Stkeckfuss. J.

35

Sluiten