Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

582

Het laatste schervengericht. Verovering van Helos.

De overwinning, door de Spartanen lnj Mantinaea behaald, kon niel zonder uitwerking blijven op den inwendigen toestand van Atliene. Nicias en de vredespartij verweten Alcibiades, dat hij den staat in een weinig eervollen oorlog gewikkeld had; Alcibiades daarentegen bewees klaar en overtuigend, dat alleen de besluiteloosheid der vredespartij van het ongeval schuld droeg. Steeds heftiger traden Nicias en Alcibiades tegen elkaar in het strijdperk en weder scheen er geen ander middel over te zijn, om aan het staatsbestuur de noodige vastheid bij te zetten, dan het schervengericht.

De burgerij verklaarde, dat er reden bestond voor de verbanning van een staatsburger; het was alleen de vraag, welke partij de overhand behouden, wie de verbannene zijn zou, óf Nicias, óf Alcibiades. Terwijl de beide partijen nog in een hevigen strijd gewikkeld waren, trad in de volksvergadering de lampenmaker Hyperbolus met scherpe verwijten zoowel tegen Nicias als tegen Alcibiades op. Nu greep er in den stand van zaken eensklaps een geheele ommekeer plaats. De beide volksleiders besloten, zich met hun aanhang gezamenlijk tegen Hyperbolus te keeren. Deze werd door middel van het schervengericht verbannen en hierdoor kwam, volgens de voorstelling der oude geschiedschrijvers, het ostracismus in een kwaden reuk, want de Atheners achtten het beneden hunne waardigheid, het volk in 't vervolg tot het uitoefenen van het schervengericht bijeen te roepen, nadat zulk een onwaardig man door het vonnis der verbanning getroften was.

De strijd tusschen de partijen van Nicias en van Alcibiades duurde intusschen voort. De laatste spoorde onophoudelijk tot den oorlog aan en toen hij niet in staat was het volk tot eene openlijke vredebreuk met Sparta te bewegen, zocht hij ten minste de Atheners tegen kleinere, met Sparta in betrekking staande staten op te zetten. Zoo verleidde hij het volk tot eene onderneming, die den naam der republiek met schande overladen zou.

Ten zuiden van de Cycladen ligt het eiland Melos, dat, door Dorische volkplanters bewoond, eene vriendschappelijke betrekking met Sparta onderhield, zonder zich evenwel ooit vijandig jegens Athene te betoonen.

Naar dit eiland ondernamen de Atheners een veroveringstocht, nadat een gezantschap den Meliërs vooraf den eisch had overgebracht om zich aan het Atheensche bondgenootschap aan te sluiten De bewoners van Melos hadden dezen eisch wel afgeslagen, doch te gelijker tijd verklaard, dat zij onzijdig wilden blijven.

Op grond van geen ander recht dan dat van den sterkste besloot het Atheensche volk, op voorstel van Alcibiades, de Meliërs voor hunne weigering. op vreeselijke wijze te straffen. Eene Atheensche vloot kwam bij het eiland voor anker, de stad Melos werd belegerd en in het jaar 416 door uithongering tot de overgave gedwongen. Met schandelijke wreedheid werden op aansporing van Alcibiades alle weerbare mannen ter dood gebracht en alle vrouwen en kinderen als slaven verkocht, terwijl liet eiland zelf door Atheners werd bevolkt.

De gunstige uitslag van den tocht naar Melos had de strijdlust van Alcibiades slechts te meer geprikkeld, en juist op dat tijdstip bood zich eene gunstige gelegenheid aan om haar op een ander oorlogstooneel te bevredigen. Tegen het einde van het jaar 416 verschenen gezanten der Siciliaansche stad Segesta te Athene, om de hulp der machtige zeemogendheid in te roepen in een oorlog, waarin zij met de Dorische stad Selinus en met Syracuse gewikkeld was.

Het zal, voordat wij onzen lezers den uitslag der bemoeiingen van dit gezantschap mededeelen. niet overbodig zijn, een vluchligen blik achterwaarts op de geschiedenis van Syracuse te werpen, daar deze stad spoedig eene hoogst gewichtige rol in de geschiedenis spelen zou.

Te Syracuse had, gelijk onze lezers zich herinneren, in het jaar 485 Gelon zich van de heerschappij meester gemaakt (zie blz. 356). Hij was een regent van groote geestkracht en veel talenten; hij zocht zijn steun uitsluitend

Sluiten