Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

588

Alcibiades teruggeroepen. Aangifte van Dioclides.

wantrouwen. Zij wilden den matrozen nauwelijks vergunnen, verscli water te scheppen; algemeen was het gerucht verbreid, dat de Atheners niets minder dan de verovering van geheel Groot-Griekenland beoogden.

De drie veldheeren kwamen thans bijeen om een plan voor den veldtocht te beramen. Jïicias, die nog altijd met weerzin de expeditie leidde, verlangde dat de vloot den strijd tusschen Selinus en Segesla beslechten zou. Hiermede zou zij den opgedragen last hebben vervuld; na dit verricht te hebben, kon zij naar Athene terugkeeren. Tegen dit gevoelen verzette Alcibiades zich met kracht; geheel Sicilië moest immers volgens zijne plannen eene Atheensche provincie worden. Ten gevolge hiervan spoorde bij zijne medeveldheeren aan om de Siciliaansche steden tegen Syracuse op te zetten, met haar betrekkingen aan te knoopen, en ook de oude Siculers, de oorspronkelijke inwoners van Sicilië, in opstand te brengen, om zoo Syracuse van het overige eiland af te zonderen en te overwinnen. Lamachus daarentegen drong op een plotselingen en geineenschappelijken aanval op Syracuse aan; hij beweerde dat de stad, zoo men haar verraste, stormenderhand kon worden ingenomen.

Door zijne overredingskracht wist Alcibiades zijn voorstel ingang te doen vinden, en bijna scheen het, dal zijn plan inderdaad het gemakkelijkst en zekerst tot de zegepraal voeren zou; want nauwelijks had de vloot de kust van Sicilië bereikt, of het gelukte hem, twee belangrijke plaatsen op de Oostkust, Naxus en Catana, te winnen en daardoor aan de vloot eene voortreffelijk gelegen haven te verschatten.

Alcibiades, met zijne fijn geslepen diplomatische kunstgrepen, met zijne wegsleepende welsprekendheid, met zijn in hulpmiddelen onuitputtelijken geest, was juist de geschikte man voor de onderhandelingen met de Siciliaansche steden. Maar liet welgelukken van het plan hing ook geheel alleen van zijn persoon af, want noch de stoutmoedige en onstuimige Lamachus, noch de aarzelende, vreesachtige, menigmaal onbekwame Nicias verstonden de kunst om door een fijngesponnen weefsel van list en bedrog de afzonderlijke steden van Sicilië voor Athene te winnen. De goede uitslag der onderneming werd dus hoogst twijfelachtig, zoo niet onmogelijk gemaakt, toen eensklaps aan de kust van Catana het staatsschip van Athene, de Salaminia, landde en het bevel overbracht, dat Alcibiades op staanden voet moest terugkeeren, dat de aanklacht van hooning der mysteriën en van medeplichtigheid aan de schennis der Hermeszuilen opnieuw tegen hem was ingediend en dat hij zich op die punten bij liet volk moest rechtvaardigen.

Ook na de afvaart der vloot was de kalmte in den boezem van het Atheensche volk, die door de schennis der Hermeszuilen gestoord was, nog niet teruggekeerd. De algemeene opgewondenheid werd door de vijanden van Alcibiades met opzet aangewakkerd. De meeste en werkzaamste aanhangers van den gehaten staatsman bevonden zich op de vloot. Nu of nooit was het mogelijk, eene beslissende zegepraal op hem te behalen.

Twee dweepzieke aanhangers der adellijke partij, Pisander en Charicles, die zich als de ijverigste voorvechters der democratie aanstelden, waren onvermoeid bezig om de vrees van het volk, dat de schennis van de Hermeszuilen met eene geheime samenzwering tot omverwerping van de staatsregeling in verband zou staan, levendig te houden. Met een beleid, eene betere zaak waardig, wisten zij de verdenking meer en meer op Alcibiades en diens vrienden te doen vallen. Deze laatsten achtten zich — en te recht — te Athene niet langer veilig. Velen namen de vlucht; anderen werden gevangen gezet.

Elke aangifte, hoe ongerijmd ook, vond bij het volk en de rechters een geopend oor. Eene buitengewone opschudding veroorzaakte het dus, toeneen zekere Dioclides optrad, om eene bepaalde aanklacht tegen de vernielers van de Hermeszuilen in te dienen. Hij verhaalde, dat hij in dien beruchten nacht Athene wilde verlaten, om in de mijnen van Laurium eenige werkzaamheid te verrichten. Het was een heldere nacht; de maan scheen zoo helder.

Sluiten