Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij Oostenrijk en de middenstaten. Zij werd m Februari 186 beantwoord met een zevental gelijkluidende nota s van Oostenrijk vier koninkrijken, Hessen-Darmstadt en Nassau, *elke tegen elke dergelijke gedachte, als strijdig met de souverein.teit der Duitsche vorsten, protesteerden, en daartegenover aanhielden op het houden van conferenties over de oprichting van een bondsbestuur en een verga

ring van landdagsafgevaardigden.

Zoo waren, zonder het eigenlijk te willen, de beide grorie Duitsche partijen met hun programma's voor den dag gekomen. Beide wil e verandering, maar over de natuur daarvan en over de wijze hoe haar tot stand te brengen, waren zij het volkomen oneens. Maar met t stelsel van Schwarzenberg was het in Duitschland gedaan, even goed als in Oostenrijk zelf. En toch was het nog geen tien jaar dat de man, die over de revolutie in Pruisen had gezegepraald, onder de aarde rustte! Maar in die tien jaren was de wereld ook veelszins een andere

^Dat^dat zoo was, bewees wel de houding van Oostenrijk tegenover Keur-Hessen en Sleeswijk-Holstein. Al was Biegeleben, Metternichs discipel, ook de man die te Weenen het meeste gezag had in de Duitsche politiek, dikwijls meer dan de minister die het departement van buitenlandsche zaken beheerde, met den toenemende., invloed der liberale denkbeelden in en buiten Oostenrijk moest ook hij rekening houden. Zelfs werd te Weenen tegenover Halïs afwijzen van elke wezenlijke concessie een veel dreigender taal gevoerd dan te Berlijn. Want de Oostenrijksche regeering zocht in Duitschland populair te worden, en wilde daarom aan Pruisen niet de eer laten van het kampioenschap voor de Duitsche nationale belangen. En evenmin kou zij daarom den keurvorst van Hessen steun verleeuen, toen deze halstarng voortging landdagen bijeen te roepen op den voet van de nieuwe door hem, naar het heette overeenkomstig een Bondsbesluit, ingevoerde grondwet en zijn volk even beslist zijn verzet daartegen volhield. Integendeel verbond zij zich met Pruisen tot het voorstellen van een nieuw bondsbesluit, waarbij de keurvorst zou worden aangemaand e grondwet van 1831 met de noodige wijzigingen te herstellen, als het eenige middel om zijn volk te bevredigen. Ongelukkig echter achtten de regeeringen van vele kleine staten dit een hoogst gevaarlijk praecedent voor hun souvereiniteit, zoodat de zaak hoegenaamd geen voortgang had. Koning Willem wenschte daarom te beproeven wat de

Sluiten