Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de hand gewerkt. De republikeinsche partij begreep echter dat zij hierbij niet mocht blijven staan; evenmin kon zij voortdurend stand houden op het standpunt, onlangs aangenomen bij gelegenheid van de candidaatstelling van Grant, toen zij alleen voor de Zuidelijke staten stemrecht voor de vrijgemaakte slaven had geëischt. Zij deed thans het voorstel, om in de Grondwet een bepaliug op te nemen, waarbij geen staat het stemrecht aan iemand mocht onthouden op grond van ras of kleur of vroegere slavernij. Elke staat bleef in zekeren zin bevoegd het kiesrecht te regelen zooals hij het verkoos, maar indien het beperkingen invoerde, dan moesten deze worden toegepast op alle burgers, blanken en zwarten. Zes dagen voor dat Grant als President optrad, werd dit grondwetsartikel aangenomen. Een der eerste verklaringen van den nieuwen President was die van zijne volkomen instemming met dit voorstel.

Een jaar 11a Grant's optreden werden de drie laatsten der afgevallen staten. Texas, Virginië en Mississippi, in de Unie opgenomen. Men beschouwde toen alles als tot het oude teruggekeerd te zijn; de laatste maatregelen die als gevolgen van den oorlogstoestand te beschouwen waren, werden ingetrokken. Het militair gezag werd opgeheven. Toch bleek het nog uoodig troepen in de Zuidelijke staten in bezetting te houden. De toestanden waren aldaar nog verre van bevredigend. Het was toch gebleken dat in den staat Liouisiana, waar Seymour als caudidaat voor het presidentschap de meerderheid had gekregen, voor het verkrijgen van dezen uitslag het meest schaamtelooze geweld was gebruikt, waarbij moord en doodslag niet uitgesloten waren, voornamelijk om de zwarte kiezers te dwingen voor den democratischen caudidaat te stemmen. Te verwonderen was het trouwens niet, dat in de Zuidelijke staten orde en rust niet zoo spoedig terugkeerden. De maatschappelijke toestanden waren daar door den oorlog geheel en al ten onderste boven gekeerd. Vroeger heerschten daar de vermogende eigenaars der uitgebreide plantages, waar de slaven als lagere wezens beschouwd en ternauwernood als natuurgenooten erkend, zich met den arbeid bezig hielden, zonder in eenige aanraking te komen met de overheid, niet eens met den rechter, want de meesters der slaven oefenden volledige rechtsmacht over hen uit. Thans verkeerden deze landheeren bijna allen in zeer bekrompen omstandigheden, hunne bezittingen waren door het ontbreken van arbeidskrachten waardeloos geworden, daarb.j moesten zij het aanzien dat hunne voor-

Sluiten