Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onmiddellijk. Het was bijna zijn laatste daad, want kort daarop, in Februari 1867, volgde Kamei-Tenno, Yemoetsji in liet graf. Hij liet een ongeveer veertienjarigen zoon na, Hoetsoe-Hito, den tegenwoordigen beheerscher van het Rijk der opgaande zon, die hem zonder

tegenspraak opvolgde.

De rouw over den mikado hield het uitbarsten van den strijd tegen, die onmiddellijk na het aanvaarden van het sjogoeuaat door Keiki, die van nu af ook den naam Yoshi-Hisa voerde, dreigde naar aanleiding van het open stellen der havens van Osaka en Hiogo. Keiki wilde dit eindelijk uitgevoerd hebben, om alle geschillen inet de buitenlanders te vermijden, want tot nog toe hadden de tegenstanders der regeering het weten te verhinderen, wat tot ernstige klachten aanleiding gaf. Het hielp dus weini? dat er dadelijk na Yemoetsji's dood, door Keiki s bemiddeling, vrede met Sjoeshioe gemaakt was; thans stonden Satsoema en al de andere hans uit het zuiden opnieuw broederlijk vereeuigd tegenover den nieuwen sjogoeu. Weldra begonnen zich voorteekenen te vertoonen, dat deze met geen geringer bezwaren dan ziju voorganger zou te worstelen hebben. Hij zelf zocht zooveel mogelijk steun bij de buitenlandsche vertegenwoordigers, die hij met groote voorkomendheid behandelde, terwijl hij meer en meer in allerlei gevallen zijn sympathie voor de westersche gewoonten liet blijken en inet name de 1' ranscheu bevoorrechtte. Zijn troepen werden door Fransche officieren geoefend, een Franschman richtte ook het nieuwe arsenaal in; Roches scheen dagelijks meer invloed te krijgen, zoodat in de Europeesche kolonie voortdurend gesproken werd over de mogelijkheid dat de sjogoen zich onder Fransch protectoraat zou stellen en door een Fransche zee- en landmacht zou worden gehandhaafd, geruchten, die ook onder de Japanners schijuen verbreid te zijn geweest en den haat tegen de vreemdelingen en de impopulariteit der regeering opnieuw deed toenemen.

In den zomer kwam te Kijoto een vergadering van daïraio s en vertegenwoordigers van daïmio's bijeen, waar openlijk over de noodzakelijkheid eener verandering van het regeeringstelsel werd gesproken. De vorst van Tosa (ook ecu der weinige daïmio's die persoonlijk optraden) zond zelfs door een zijner volgelingen, den later zeer op den voorgrond tredenden Geto, een brief aan den sjogoen, waarbij hij dezen den raad gaf afstand te doen. Alleen daardoor kou, beweerde hij, een einde komen aan de onzekerheid die nu heerschte, nu het gezag verdeeld was tusschen den mikado en den sjogoen en diens raad. Daar-

Sluiten