Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Japanners aan te tasten, als zij te voren koedsje's en daïmio s tot één adelstand hadden teruggebracht. Zooals altijd geschiedde het geleidelijk, en werd het afleggen der zwaarden, het verrichten van arbeid anders dan in dienst van den keizer, en vooral het drijven van handel slechts bij bijzondere vergunning toegestaan; maar weldra werden de bepalingen algemeener, zooals b.v. de opheffing van het verbod van paardrijden voor ieder beneden den rang van samoerai en het verlof voor iedereen om de kleeding te dragen, welke voorheen alleen den samoerai s toekwam. Daarop werd het afleggen der wapenen aanbevolen, eindelijk, in 1876, werd het dragen van een zwaard, anders dan in dienst of bij wijze van officieele staatsie, verboden.

Geen der nieuwe wetten kenschetste meer den geest der nieuwe regeering dan de erkenning der gelijkheid voor de wet van alle Japanners, ook van de pariah-klasse (de onreine \etas of t,ta s), welke slechts het minste en vuilste werk mochten doen, en zich van elke aanraking met den gewonen Japanner moesten onthouden, daar zij als een besmetting gold. Er waren, berekent men, bijna een millioen zielen, welke behoorden tot die klasse, waarvan het ontstaan geheel onbekend is. Die allen werden nu tot menschen en burgers gemaakt, hoewel hun maatschappelijke gelijkstelling daaruit niet volgde. De bestrijding van het Boeddhisme, aan welks eeredienst elke tot nog toe zoo ruimschoots verleende staatshulp onttrokken werd, zoodat spoedig een aantal tempels en kloosters begouuen te vervallen of door de regeering tot andere doeleinden werden gebruikt, deed bij de gewone Japanners de strenge handhaving van reinheidswetten en der aan het kastenwezen eigen bepalingen afnemen. Het deed het gebruik van vleesch, dat onder invloed van het Boeddhisme bijna geheel had opgehouden, weder toenemen, wat gunstig werkte op den afkeer van de eta s, die, evenals hun rampzalige standgenooten in Indië, als onreinen van het verbod van vleescheten waren vrijgesteld, en die veelal als slagers en vilders aan den kost kwamen. Ook het verschil tusschen den landbouwer en den handwerksman begon te verdwijnen, en van lieverlede konden in de groote voor den buitenlandschen handel opengestelde steden, de kooplieden die kapitalisten begonnen te worden, niet meer gedwongen worden te blijven op den ondersten sport der maatschappelijke ladder, waartoe hun de wettelijk vastgestelde kastenverdeeling veroordeelde. Weldra was het niet meer mogelijk het kastenstelsel te handhaven; het verbod van huwelijk buiten de kaste werd

Sluiten