Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn regeerings program ma in de Tweede Kamer te Miinclien en verklaarde daarin dat hij een bond der Zuid-Duitsche Staten onder de bescherming van een niet-Duitsche macht of onder die van Oostenrijk niet wenschelijk achtte, dat een geheel zelfstandige bond van de Zuid-Duitsche Staten evenmin mogelijk was, dat Beijeren evenwel niet kon bestaan zonder bondgenootschap met een der Europeesche groote staten en dat de eenige staat die daarvoor in aanmerking kon komen Pruisen was. Voor het oogenblik kon echter van een aansluiting aan den NoordDuitschen Bond nog geen sprake zijn. De staatkundige verhoudingen door den vrede van Praag in het leven geroepen maakten dit onmogelijk, en Beijeren kon van zijne stelling als zelfstandige Staat niet geheel en al afstand doen. In Berlijn werd deze verklaring natuurlijk met groote instemming vernomen; Bismarck liet aan Hohenlohe weten dat hij alles zoude doen om hem te steunen.

Er was één aangelegenheid van groot belang waarvan de regeling door de Zuid-Duitsche Staten en den Noord-Duitschen Bond geen uitstel gedoogde. Het Duitsche tolverbond, waartoe de Zuid-Duitsche Staten ' ehoorden, was door een der bepalingen van den vrede van Praag voorloopig bestendigd onder de voorwaarde dat het zoude vervallen na zes maanden te voren te zijn opgezegd. Op den voet, zooals het tot nog toe bestaan had, kon het, na de aanneming van de Grondwet van den Noord-Duitschen Bond, onmogelijk worden voortgezet. Er moest voor de tol-eeuheid tusschen de Zuidelijke Staten en den NoordDuitschen Bond een nieuwe vorm worden gevonden. Over dezen vorm openbaarde zich een groot verschil van meening. De Zuid-Duitsche Staten wilden eenparig het tolverbond behouden, maar Beijeren verlangde dat dit zoude geschieden door afzonderlijke verdragen tusschen deze Staten en den Noord-Duitschen Bond, zoodat de beslissing over wijzigingen bij de verschillende regeeringen zoude blijven berusten. Hiervan wilde Bismarck niet weten, hij weigerde om aan de regeeringen en de parlementen der Zuid-Duitsche Staten elk afzonderlijk de bevoegdheid te geven om over alle veranderingen in de gemeenschappelijke regeling van het tarief en wat daaraan verwant was zelfstandig te beschikken; op deze wijze zoude men weder in alle moeielijkheden van den vroegeren toestand vervallen, toen ieder lid van den Bond door zijne medewerking te weigeren, alle maatregelen kon tegenhouden. Hij noodigde de vertegenwoordigers der Zuidelijke Stalen tot een bijeenkomst te Berlijn, teneinde over een nieuwe regeling van het Tolverbond

Sluiten