is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis van onzen tijd sedert 1848

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezen laatsten eisch sprong in het oog. Wanneer toch aan de Fransche regeering de inacht werd ontnomen om den opstand van de Commune te onderdrukken, zoude haar niets anders overblijven dan de teugels van het bewind neder te werpen, en de beslissing over Frankrijks verder lot aan een strijd tusschen de opstandelingen en de Duitschers over te laten. Er was dan ook geen keus voor de Fransche afgevaardigden, zij moesten de harde en vernederende voorwaarde aannemen, alleen wisten zij te verkrijgen dat, na betaling van het derde halve milliard, de Duitsche bezetting in elk geval moest ophouden; zoo had men althans de zekerheid dat deze bezetting niet altijd zoude kunnen voortduren. Nu dit netelige punt was beslist bleven er nog twee gewichtige vragen over die tot oplossing moesten worden gebracht.

De eerste betrof de vesting Belfort. Thiers, zooals men zich zal herinneren, had het behoud van deze stad weten te verkrijgen, de bepaling der grensscheiding was echter voorbehouden tot nadere onderhandelingen. De beslissing hierover moest echter nu vallen. Duitschland wilde zijne grens tot vlak bij de versterkingen van Belfort uitbreiden en Frankrijk meende dat zoodoende de waarde van de vesting bijna geheel verloren ging. Na lange beraadslagingen werd men het er over eens, dat de door de Franschen verlangde ruimere grens zoude worden vastgesteld, maar ten koste van een nieuwen afstand van grondgebied door Frankrijk aan de noordelijke grens, in de nabijheid van het groothertogdom Luxemburg. De Fransche afgevaardigden meenden aan de volksvertegenwoordiging te moeten overlaten om een besluit te nemen waarbij Franschen hunne nationaliteit zouden verliezen; er werd derhalve een artikel goedgekeurd waarin werd bepaald dat, indien de afstand van grondgebied in het Noorden niet werd bewilligd, de aanvankelijk door Duitschland gewenschte grens zoude worden aangenomen.

De tweede vraag raakte de handelsbetrekkingen tusschen de beide landen. Door den oorlog waren alle handelsverdragen tusschen Frankrijk en de verschillende Duitsche Staten vervallen. Bismarck wenschte een bepaling in het vredesverdrag, waarbij Duitschland en Frankrijk elkander wederkeerig de behandeling der meest begunstigde landen waarborgden. Favre, die voorstander van het vrijhandelstelsel was, had hiertegen geen overwegend bezwaar, Pouyer Quertier, wiens staathuishoudkundige begrippen van die van Favre afweken, kon er zich aanvankelijk niet mede vereenigen, hij moest echter toegeven toen Bismarck zeide, liever den oorlog met de wapenen weder te willen beginnen dan bloot te