Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herhaaldelijk uit den mond des Keizers vernemen, dat de groote diensten door hem aan zijnen Yorst en aan zijn land bewezen met eeuwigdurende dankbaarheid moesten worden vergolden. Toch ontstonden er somtijds wel eens moeielijkheden in den omgang tusschen den Yorst, met zijne ouderwetsche Pruisische denkbeelden over staat en maatschappij, en den rijkskanselier die, al was hij in zijn hart Pommersch jonker gebleven, toch een te ruimen blik had om niet te doorzien, dat de nieuwe toestanden in het vereenigd Duitschland aan de rijksregeering eischen stelden die buiten den gezichtskring vielen der ouderwetsche Pruisische staatslieden. Met de conservatieve partij kwam Bismarck dan ook welhaast in openbaren strijd, waardoor toenadering zijnerzijds tot de nationaal liberale partij zich als een eisch deed gevoelen, dien hij zich gedwongen zag te aanvaarden, zij het dan ook slechts tijdelijk. De rijkskanselier was geen man om aan het hoofd van een staatkundige partij te staan en die tot regeeringspartij te maken, hij bediende zich slechts van de partijen om datgene wat hem in het belang van het rijk noodig voorkwam tot stand te brengen. Wat hij in de eerste jaren na den oorlog in de binnenlandsche staatkunde op het oog had, lag geheel in de richting van de nationaal liberale partij, vandaar dat hem de steun van deze partij uit eigen aandrang ten deel viel, waardoor hij ook gedurende eenige jaren met hare wenschen rekening moest houden.

Bismarck had bij zijn verblijf te Versailles tijdens het beleg van Parijs, met verschillende hooggeplaatste Roomsch-Katholieke geestelijken, o. a. met den aartsbisschop van Posen, Ledochowski en met den Franschen kardinaal de Bonnechose, onderhandeld over een tusschenkomst van den Paus. Hij had gehoopt, dat de Fransche geestelijkheid door den Paus in het belang van den vrede zoude zijn bewerkt, terwijl hij daartegenover, zonder zich tot iets te binden, liet doorschemeren dat zijnerzijds de aanspraken van den Paus op wereldlijke macht in welwillende overweging zouden worden genomen. In het Vatikaan begreep men echter zeer wel, dat dit laatste misschien tot woorden maar nimmer tot daden zoude leiden; men voelde zich dan ook volstrekt niet geroepen om aan de Duitsche staatkunde, die in het binnenland met de talrijke Protestantsche bevolking en in het buitenland met de vriendschappelijke verhouding tegenover Italië had te rekenen, diensten te bewijzen, die men voorzag dat onvergolden zouden blijven. De Katholieken in Duitschland, door de Italiaansche inbezitneming van Rome

Sluiten