Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een strijd wikkelde, die aanvankelijk goede kansen voor een overwinning scheen aan te bieden.

Onder de Katholieken in Duitschland was namelijk een sterke gisting ontstaan tengevolge van de door het algemeen concilie van Rome in Juli 1870 genomen beslissing ten opzichte van de onfeilbaarheid van den Paus. Verschillende Duitsche bisschoppen hadden tot deze beslissing niet medegewerkt, zij hadden er zich echter niet uitdrukkelijk tegen willen verzetten, maar er de voorkeur aan gegeven om Rome te verlaten vóór de vergadering waarin het besluit werd genomen. Onder de lagere geestelijkheid en vooral onder de Katholieke hoogleeraren deden zich vele stemmen hooren die over het nieuwe leerstuk ongunstig oordeelden. Onder hen was de meest onverzoenlijke de Munchensche stiftproost Düllinger, die door zijne geschriften in de godgeleerde wereld een grooteu naam had verworven. Hij had een machtigen beschermer in den vroegeren eersten minister van Beieren, Vorst Hohenlohe, en werd meer en meer het middenpunt van het Duitsche verzet tegen de Pauselijke onfeilbaarheid. Bij de meerderheid zijner ambtgenooten, die aanvankelijk met hem schenen te zullen medegaan, openbaarde zich echter spoedig een gevoel van aarzeling. Een groote beweging tegen de onfeilbaarheid, geleid door eenige bisschoppen en krachtig bevorderd door vele lagere geestelijken, die in wording scheen, verliep allengskens; de onverzettelijke houding van den Heiligen Stoel deed den moed van velen verslappen, zij begrepen dat zoo men volhardde er niets anders over bleef dan een nieuwe Kerk te stichten, die voorzeker door den Paus als een afvallige zoude worden veroordeeld. Voor dit uiterste deinsden zij terug. Eén voor één begonnen de voornaamste leiders te verstommen; alle bisschoppen in Duitschland legden allengskens het hoofd in den schoot en Düllinger stond weldra alleen met een kleinen aanhang. Hij werd door den Paus in den ban gedaan en als het hoofd der afvalligen beschouwd, ofschoon hij zelf niet tot de Oud-Katholieke Kerk toetrad, die door zijne aanhangers werd gesticht. Zijn standpunt, dat de tegenstanders der onfeilbaarheid in de Kerk moesten blijven omdat zij aan hare oude leer getrouw bleven die door het nieuwe leerstuk werd geschonden, vond geen bijval. De kleine minderheid voorzag dat zij, in de Kerk blijvend, door de groote overmacht spoedig machteloos zoude worden gemaakt; daarbij hoopte zij, zelfstandig optredend, op steun van hooger hand.

De Oud-Katholieke beweging toch had in Beieren bij de regeering

Sluiten