Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgesproken dat de Katholieken vijanden van den Pruisischen Staat waren, en men zelfs meende te weten dat de Keizer de noodzakelijkheid van de wet had verdedigd met te zeggen, dat men niet kon toelaten dat de Katholieke priesters nog langer het land regeerden, voorzagen de geestelijken maar al te goed dat de wet in hare volle gestrengheid op hen zoude worden toegepast. Hierin bedrogen zij zich ook niet. De Mei-wetten, verscherpt nog door eenige latere wetten, riepen een geloofsvervolging in het leven zooals die in de laatste jaren in geen der beschaafde landen van Europa had plaats gehad. De geestelijken die de bepalingen der wet omtrent hunne benoeming en hunne verplichtingen, en de bevoegdheid van het door haar verordende gerechtshof voor kerkelijke zaken niet erkenden, werden met geldboeten gestraft, daarna met gevangenisstraf en eindelijk met ontzetting uit hun ambt. Het eerste slachtoffer was de aartsbisschop Ledochowski te Posen. Als volbloed Pool was hij in Bismarck's oog dubbel gevaarlijk; daar hij in strijd met de Mei-wetten priesters bleef aanstellen, trof hem de eene veroordeeling na de andere, terwijl hem zijne jaarwedde werd ontnomen. Toen de hem opgelegde geldboeten, die tot een bedrag van 16 000 thalers waren geklommen, niet werden betaald, kwamen deurwaarders in zijn bisschoppelijk paleis om daar op zijne goederen beslag te leggen. Hij bleef zich echter verzetten, waarop hij gevangen werd genomen en door het kerkelijk gerechtshof werd afgezet. In 1876 uit de gevangenis ontslagen, begaf hij zich naar Rome bij den Paus, die hem inmiddels tot kardinaal had benoemd, en bleef van daar uit zijn bisdom beheeren. at hem getroffen had, ondervonden welhaast ook de meeste bisschoppen in Pruisen. Na eenigen tijd in de gevangenis te hebben doorgebracht, weken zij over de grenzen, de bisschoppen van Keulen en Munster vestigden zich in Nederland, de bisschop van Trier in Belgie, de bisschop van Breslau in Oostenrijk. De lagere geestelijken, die afgezet waren, trachtten onder allerlei vermomming, in het geheim hunne gemeenten te bezoeken, ten einde er de mis te lezen en kerkelijke plichten te vervullen, doch zij stonden daarbij aan de scherpste vervolging van wege de politie bloot. Velen werden in de gevangenis geworpen of uit het land gezet, het aantal gemeenten dat van geestelijken verstoken was groeide voortdurend aan, in het bisdom Trier alleen waren honderd

dertig kerken die geen geestelijke meer bezaten om er de mis te lezen. Een wet, die de sluiting van alle kloosters voorschreef, had intusschen

ook de meeste orde-geestelijken, waaronder meer dan duizend geestelijke

Sluiten