Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bleek spoedig dat zij als volkskerk geen toekomst had. Daarentegen viel het niet te ontkennen dat de besliste tegenstanders van Kerk en godsdienst in aantal schenen toe te nemen, en in elk geval in vrijmoedigheid. Een der wetten van Talk had het burgerlijk huwelijk ingevoerd en aan alle bemoeiingen van de geestelijken der verschillende kerkgenootschappen met den burgerlijken stand een einde gemaakt. Reeds zeer spoedig na de invoering dezer wet viel een zeer belangrijke daling van het aantal kerkelijke inzegeningen van huwelijken en doopbedieningen onder de Protestanten vooral in de groote steden waar te nemen. Het bad den schijn alsof vrijdenkers en ongeloovigen den strijd vooral daarom inet zooveel geestdrift begroetten, omdat hij hun de gelegenheid gaf meer in het openbaar hunne gevoelens te kunnen aan den dag leggen. Onder de rechtzinnige Protestanten verwekte dit groote bezorgdheid. De Keizer, die altijd verklaarde aan het geloof zijner vaderen getrouw te zullen blijven en die de wet op het burgerlijk huwelijk niet dan noode bad goedgekeurd, begon eenigermate te twijfelen aan de juistheid der richting waarin zijne staatkunde zich bewoog, en hij vond in zijne naaste omgeving niet weinigen die zich beijverden om dezen twijfel te versterken.

Bismarck, al kon hij het niet openlijk bekennen, zag zeer goed in dat men de godsdienstige en kerkelijke hartstochten tot een bedenkelijke hoogte had opgeblazen, zonder te bereiken wat men wilde. Hij was zelf, in Juli 1874, bijna het slachtoffer van Katholieke dweepzucht geworden, toen te Kissingen, waar hij de baden gebruikte, een Katholiek werkman, Kuilman, een pistoolschot op hem loste zonder hem echter te treffen. Zooals te verwachten was strekte dit voorval er niet toe om hem gunstiger te stemmen ten opzichte van de geestelijkheid, wier medeplichtigheid aan den aanslag hij scheen te vermoeden; daarbij ergerde hem ook zeer sterk de houding van vele conservatieve staatslieden, waaronder persoonlijke vrienden van weleer, die zich openlijk van zijne staatkunde afkeerden. Bij den aanvang van den strijd had de rijkskanselier de tot nog toe door hem bekleede betrekking van Pruisisch minister nedergelegd en die overgedragen aan von Roon, maar tegen het einde van 1873 verzocht de toen een en zeventig jarige veldmaarschalk, blijkbaar den strijd tegen de kerk moede, om van zijn ambt te worden ontheven en bleef er voor Bismarck niets anders over, dan weder op den door hem verlaten ministerstoel plaats te nemen. Zijne gemoedsstemming was van lieverlede door den loop der zaken geheel en al verstoord. Hij had tot nog toe

Sluiten