Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eumenes was een dapper, talentvol en voorzichtig veldheer, die zich reeds grooten roem in den oorlog verworven had. Perdiccas achtte het daarom met recht in zijn belang zulk een vriend voor zich te behouden. Met dit doel gelastte hij Leonnatus en Antigonus hunne legers met dat van Eumenes te vereenigen, ten einde Cappadocië en Paphlagonië voor hem te veroveren. Wel riep Leonnatus zijn leger ten strijde, maar hij vond hel voordeeliger, de oproeping van Antipater en Cleopatra te volgen; in plaats van de Cappadociërs te bestrijden, trok hij met zijn leger naar Europa. Antigonus bekommerde zich in het geheel niet om het bevel van Perdiccas; hij was volstrekt niet van zins den gehaten Griek in het veroveren van het hem toegezegde gebied te ondersteunen. Perdiccas zag zich hierdoor genoodzaakt om zeil met het rijksleger zijn vriend te hulp te komen, en weldra gelukte liet hem, voor dezen de hem toegedeelde satrapie te bemachtigen en daardoor de vriendschap, die hem met Eumenes verbond, nog meer te bevestigen.

Toen Perdiccas het ambt van rijksbestierder aanvaardde, was hij volstrekt niet van voornemen geweest zich met de ondergeschikte waardigheid van een koninklijk dienaar te vergenoegen. Hij wilde liet rijk van Alexander den Grooten bijeen houden, niet voor Philippus Arrhidaeüs. ook niet voor den zoon van den overleden koning, maar voor zich zelf'. Ilij hoopte de erfgenaam van Alexander te worden, doch dit doel kon hij alleen bereiken, wanneer hij zich van de mededinging der overige veldheeren ontsloeg, wanneer hij dezen, die zich in hunne salrapiën bijna als onafhankelijke vorsten gedroegen, in gehoorzaamheid aan zijne bevelen hield.

Had Antigonus door zijne weigering om Eumenes te ondersteunen duidelijk getoond, hoe weinig hij zich aan het bevel van den rijksbestierder stoorde, niet minder onafhankelijk en weerspannig gedroeg zich Ptolemaeüs, de satraap van Egypte.

Perdiccas had bepaald, dat het lijk van Alexander naar Aegae, de rustplaats der Macedonische koningen, overgebracht zou worden. Moeite noch kosten werden ontzien om den lijkstoet zoo prachtig mogelijk te maken; de daarbij ten toon gespreide luister zou den grooten koning waardig zijn. Een veldheer van Perdiccas, Arrhidaeüs (niet te venvarren met den koning Philippus Arrhidaeüs) werd met de regeling en de leiding van het geheel belast.

Tegen hel einde van het jaar 322 waren alle toebereidselen gemaakt; de kolossale lijkwagen, waarin de koninklijke doodkist vervoerd zou worden, was gereed. Diodorus geeft ons van de pracht van de doodkist en den lijkwagen eene beschrijving, die wij onzen lezers willen mededeelen, om hun een denkbeeld te geven van de roekeloosheid, waarmee de schatten van Azië door de veroveraars verkwist werden.

Diodorus verhaalt:

»In de eerste plaats had men eene voor het lijk passende doodkist van gedreven goud vervaardigd; de in de kist overblijvende ruimte was geheel met specerijen aangevuld, die niet alleen een welriekende geur verspreidden, maar tegelijk tot bewaring van het lijk dienden. Boven op de lijkkist was een gouden deksel geplaatst, dat zeer naauwkeurig sloot, zoodat de bovenste rand van de kist daardoor bedekt werd. Hierover werd een prachtig, met gouddraad doorwerkt purperen dekkleed uitgespreid en aan de zijden plaatste men de wapenen des overledenen, om zich door hun aanblik de daden, die hij verricht had, des te levendiger voor den geest te kunnen roepen. —*Nu bracht men den wagen voor, die het lijk zou wegvoeren. Boven dezen wagen welfde zich een gouden hemel, die met edelgesteenten in den vorm van schubben ingelegd en acht ellen breed en twaalf ellen lang was. Onder dit dak verhief zich een gouden troon van vierkanten vorm, die de geheele breedte besloeg. Koppen van reebokken, die de leuningen van den troon vormden, droegen gouden ringen, twee span breed, waarin een prachtige krans hing uit kunstbloemen van allerlei kleur gevlochten, Aan het boveneinde van den troon was eene

Sluiten