Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu de burgers onder de wapenen roepen, maar dezen weigerden hem gehoorzaamheid, onder voorwendsel, dat hel nu te laat was en dat hij hen verraden wilde. l)t' vriendschappelijke gezindheid, welke Phocion jegens de Macedoniërs betoond had, en zijne daarop gevolgde werkeloosheid brachten hem onder de verdenking, dat hij in Nicanors plannen ingewijd was geweest.

Was Phocion werkelijk aan verraad schuldig? Zijn lang en eervol leven weerspreekt dit vermoeden, terwijl zijn gebrek aan veerkracht en waakzaamheid daarvoor pleit. Maar zelfs wanneer hij in overeenstemming met Nicanor gehandeld had. dan had hij dil zeker niet gedaan uit vuig eigenbelang, maar in de overtuiging, dat bij zoo het best het welzijn van zijne vaderstad bevorderde. Hel verwijt, dat bij een verrader was, rustte daarom echter niet minder zwaar op hem.

Nicanor hield thans twee vaste punten, Munychia en den Piraeüs, bezet en was dus nog minder dan vroeger tot den aftocht te bewegen, boe dringend de Atheners hierop ook bij hem aanhielden, ofschoon ook Olympias, die zich met Polysperchon verstaan had, hem in den naam van koning Alexander beval, Athene te ontruimen.

Alexander, de zoon van Polysperchon, verscheen eindelijk met een klein leger voor de muren van Athene; het volk hoopte, dat hij ernstig den strijd tegen Nicanor beginnen zou, maar het zag zich bedrogen. Alexander deed niets, hij voelde zich tegen Nicanor niet opgewassen. Binnen de stad hadden de teruggekeerde ballingen in vereeniging met hunne geestverwanten, die zij daar nog in kleinen getale aantroffen, de democratie hersteld. Zij daagden Phocion en de overige oligarchen voor hun gericht; dezen achtten zich te Athene niet langer veilig en vluchtten. Sommigen hunner, waaronder ook Phocion, begaven zich naar Polysperchon, die met koning Philippus Arrhidaeüs naar Griekenland gekomen en in Phocis gelegerd was. Te gelijk met de vluchtelingen kwam een Atheensch gezantschap bij den rijksbestierder; terwijl de eene partij op bescherming aandrong, verlangden de Atheners de uitlevering van de vluchtelingen. Polysperchon, onderricht dat Cassander met een leger in aantocht was, wilde de bevolking van Athene te vriend houden; hij liet Phocion en zijne gezellen in boeien slaan en zond hen met eene Macedonische legerafdeeling onder aanvoering van Clitus naar Athene terug.

Op een der eerste dagen van Mei 318 reden de wagens, waarop Phocion en zijne vrienden geboeid zaten, door de heilige poort Athene binnen; onder geleide van gewapende Macedoniërs werden de gevangenen als gemeene boosdoeners naar den schouwburg van Dionysos gebracht en het volk werd saamgeroepen, om gericht te houden over den man, die zóó lang de eerste in Athene geweest was. De voormalige ballingen stroomden van alle zijden toe; weldra waren alle zitplaatsen dicht bezet. De herauten geboden stilte; een schrijven van Philippus Arrhidaeüs aan de Atheners werd voorgelezen. De koning verklaarde daarin, dat hij de gevangenen als verraders beschouwde en hen aan bet thans vrij verklaarde Atheensche volk overgaf, opdat dit zelf hun lot mocht beslissen. Hierop werd de akte van beschuldiging gelezen, die inhield, dat Phocion en zijne vrienden na den Lamischen oorlog de oorzaak waren geweest, dat Athene in slavernij gekomen, dat de staatsregeling afgeschaft en de oligarchie ingevoerd was. Phocion wilde het woord opvatten om zich te verdedigen, maar een woest geschreeuw belette hem dit. Tevergeefs werd er stilte bevolen, steeds luider tierden de ballingen, onder welke zich ook vele vreemdelingen en slaven bevonden. »Steenigt de vijanden des volks!" riepen zij.

Phocion verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, ofschoon hij zich bewust was, dat bij bij de opgewonden menigte op geene verschooning te rekenen had. «Waarlijk, Atheners!" riep hij, »gij wilt mij naar recht en billijkheid veroordeelen. Kunt gij dat, zonder mij te hooren?"

Slechts enkelen konden de overige woorden van den ouden man verslaan.

Sluiten