Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze belegering had den Rhodiërs groolen roem verschaft, niet alleen in Griekenland, maar in de geheele oude wereld. De veerkracht, de onwrikbare volharding, door hen bij hunne verdediging ten toon gespreid, deed hen van nu af eene plaats in de rij der aanzienlijkste staten innemen. De slimme kooplieden wisten ook in het vervolg hunne onzijdigheid te handhaven; zij hadden hunne vleierijen voor eiken heerscher veil. wanneer deze hunne vrijheid maar niet belaagde. Als teeken hunner dankbaarheid wijdden zij aan Ptolemaeüs een altaar, terwijl zij hem den bijnaam van Zeus, namelijk Soter, d. i. Redder, schonken. Onder dezen naam is Ptolemaeüs ter onderscheiding van zijne opvolgers in de geschiedenis bekend. Merkwaardig genoeg is het, dat de naam van een god door een vrij volk aan een koning geschonken werd.

In Griekenland had Cassander, terwijl Demetrius voor Rhodus lag, opnieuw zijne macht uitgebreid. Alleen deAetoliërs, de Spartanen en de Atheners boden hem nog tegenstand; maar reeds werd Athene door zijne krijgsmacht belegerd, lu den herfst van 304 verscheen Demetrius in Griekenland. Cassander werd door hem gedwongen om de belegering van Athene op te breken en naar Thessalië terug te trekken.

Sinds Demetrius Athene verlaten had, was de door hem weer ingevoerde democratische staatsregeling daar geheel in werking getreden.

Nog eenmaal stond een voortreffelijk man, Demochares, de neef van den grooten Demosthenes op. om te beproeven of hij het diep gezonken volk weer tol de voormalige hoogte kon verheffen. Deze waarachtige vriend zijns volks had hel beneden zich geacht, een staatsambt te bekleeden, zoolang Demelrius Phalereus als tyran over zijne vaderstad heerschte. Thans, nu de oppermacht weer bij het volk berustte, trad hij weer in dienst der burgerij. Hij deed zijn best om de oude republikeinsche deugden weer in het hart des volks op te wekken; hij gaf zich over aan de schoone, maar bedriegelijke hoop om het volk tot de hoogte van zijn eigen zedelijk standpunt op te voeren. Even als hij vroeger in het openbaar de oligarchie tegengewerkt had, zoo berispte bij thans met diepe verontwaardiging de schandelijke laagheid, waarmee de Atheners hunne stad den koning Demetrius in handen leverden. Doch hoe schitterend Demochares ook sprak, zijne woorden werden wel aangehoord, maar niet ter harte genomen, de Atheners bleven wat zij onder Demetrius Phalereus geweest waren, een volk zonder eer, dat slechts leefde om aan zijn trek naar zingenot bot Ie vieren; zij toonden dit op de laagste wijze, toen Demetrius tot hen kwam, om den winter van het jaar 304 op 303 bij hen door te brengen. Thans wedijverden de Atheners in het brengen van huldebewijzen aan den bevrijder, veel buitensporiger dan die, welke zij hem bij zijn eerste verblijf in hun midden gebracht hadden.

De maagdelijke godin Alhene, spraken zij, was alleen waardig om den bevrijder der stad bij zich te ontvangen, hierom wijdden zij den tempel deiongerepte maagd tot woning voor Demetrius. In het binnenste heiligdom der kuische godin zwelgde deze voortaan in zinnelijken lust. Geen meisje, geene vrouw was voor den wellusteling veilig. Plutarchus verhaalt ons, dat in den lempel van Athene zulke afschuwelijke tooneelen voorgevallen zijn, dal de schaamte hem verbood, iets daarvan mee te deelen. Demetrius schroomde niet, zijne losbandige leefwijze in het openbaar te leiden, doch dit belette den Atheners niet, hem, in weerwil van dit alles, als een god te vereeren. Op voorstel van een laaghartig vleier kondigden zij eene bekendmaking van den volgenden inhoud af: «Alles wat de goddelijke Demetrius ook moge bevelen, moet als heilig len aanzien der goden en als rechtvaardig ten aanzien der menschen beschouwd worden." Toen Demochares zijne verontwaardiging hierover lucht gaf. werd hij verbannen.

In de lente van het jaar 303 verliet Demetrius Athene, om die steden van Griekenland, welke nog door de troepen van Cassander bezet waren, te bevrijden. In de eerste plaats wendde hij zich naar den Peloponnesus, waar

Sluiten