Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door eene list redde. Hij ledigde langzamerhand zijne met goudstukken gevulde zakken. De hebznchtige huurlingen konden aan die verzoeking geen weerstand bieden, maar zij stegen af om het goud op te rapen en joegen toen weer den vluchteling achterna. Deze herhaalde zijne list en op die wijze gelukte het hem, naar Boeötië te ontkomen.

De van den tyran ontslagen stad zond gezanten aan Demetrius en gal zich aan hem op genade en ongenade over. De overwinnaar trok Athene binnen. Hij beval, dat het volk in het theater bijeenkomen zou, waar het redenaarsgestoelte door zijne soldaten omringd was. Sidderend wachtten de Atheners de uitspraak af van den man, dien zij door hunne ondankbaarheid zoo zwaar beleedigd hadden. Tegen aller verwachting aan gedroeg Demetrius zich zeer grootmoedig, hij verklaarde aan het Atheensche volk, dat het in zijn oog beter was te vergeven dan te straffen, dat hij daarom de door het volk meest geliefde staatsregeling weder herstellen, en eindelijk, ten einde aan den hongersnood een einde te maken, den Atheners 100,000 schepels graan schenken wilde.

Het was alsof er aan het vreugdegejuich des volks geen eind zou komen. Weenend van blijdschap vielen de burgers, thans van hunne vrees verlost, elkander om den hals. Op alle pleinen en straten der stad vernam men een vreugdegejuich, zooals het nooit door Athene had weerklonken. Het volk wist niet op welke wijze het zijne dankbaarheid het best aan den dag zou leggen. In de volksvergadering werd terstond een besluit genomen, waarbij de havensteden Munychia en Piraeüs den koning werden afgestaan. Demetrius nam dit geschenk aan en legde terstond in de beide steden bezetting (295 v. C.).

Terstond na het bezetten van Athene beproefde Demetrius door een veldtocht tegen Sparta een nieuwen steun te verleenen aan zijne opperheerschappij over Griekenland. Zijne macht was thans opnieuw zoo toegenomen, dat de overige heerschers beducht waren, dat hij voor hen gevaarlijk worden zou. Waren niet de hoofdsteden van Phoenicië, de zeesteden van Klein-Azië, met Cilicië en het eiland Cyprus aan zijn bewind onderworpen, beheerschte zijne voortreffelijke vloot niet de zee? Indien hij ook geheel Griekenland aan zijn schepter onderwierp, dan zou hij een in waarheid zeer te duchten tegenstander worden.

Ptolemaeüs, Seleucus en Lysimachus sloten derhalve andermaal een verbond tegen den vijand, die met eiken dag gevaarlijker werd, en tastten zijne buiten Europa gelegen bezittingen aan. Lysimachus deed een aanval op Klein-Azië, Ptolemaeüs op het eiland Cyprus, Seleucus op Phoenicië en Cilicië. Overal was het voordeel aan hunne zijde, want Demetrius zelf, de dappere veldheer, bevond zich op verren afstand: hij voerde oorlog in den Peloponnesus.

Het was hem gelukt de Spartanen meer dan eens te slaan, reeds lag hij met zijne troepen voor Sparta en slechts eene geringe krachtsinspanning was er van zijne zijde noodig om de voormalige hoofdstad van den Peloponnesus te veroveren. Thans drongen hem de verliezen, door hem in Azië geleden, om daar in persoon op het oorlogstooneel te verschijnen, ten einde zijne bezittingen te heroveren, maar een ander verleidelijk lokaas vertoonde zich aan zijne eerzucht in Europa: het vooruitzicht om zich van het koninkrijk Macedonië meester te maken.

Cassander was, gelijk we reeds vermeldden, tegen het einde van het jaar 297 gestorven; zijn oudste zoon Philippus overleefde hem slechts vier maanden en werd, nadat hij aan de tering gestorven was, door zijn broeder Antipater opgevolgd. Deze was nauwelijks de kinderschoenen ontwassen en stond met zijn jongeren broeder Alexander onder de voogdij van hunne moeder Thessalonice, de zuster van Alexander den Grooten. Toch waren beiden reeds gehuwd, Antipater met eene dochter van Lysimachus, Alexander met eene dochter van Ptolemaeüs.

Thessalonice begunstigde Alexander boven zijn ouderen broeder, deze was hierop naijverig en, vreezende dat zijne moeder het rijk aan zijn jongeren

Sluiten