Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn doel. eene wijsgeerige school te slichten, slechts aan enkele mannen wilde hij de leer van Socrates voordragen en hen met geestdrift bezielen om op de groote massa des volks te werken,

De strenge en eenvoudige leefwijze van den grooten wijsgeer, die verheven was boven al de overtollige behoeften, welke de weelde van een bedorven tijd voor de groote wereld geschapen had, hadden een allerdiepsten indruk op Antisthenes gemaakt, ja dit beschouwde hij als de eigenlijke taak der wijsbegeerte, Hij zelf liep daarom steeds in een morsigen en gescheurden mantel, op den rug droeg hij een bedelzak en hij predikte zijnen leerlingen, dat de verloochening van alle zingenot het kort begrip der wijsbegeerte uitmaakte. Hij ging zelfs zoover, dat hij met minachting sprak van alle wetten, welke de fijne Attische beleefdheid voorschreef, elke vorm van het gezellige leven was in zijn oog belachelijk en van alle beteekenis ontbloot, zelfs de geestesbeschaving, waarvan kunst en wetenschap den grondslag uitmaakten, verachtte hij.

Reeds Socrates had ingezien, dal in deze overdreven onthouding niet minder geestelijke hoogmoed school dan in de ijdele praalzucht van vele sophisten; hij had dit eens zonder omwegen aan Antisthenes gezegd, door hem toe te roepen: "Antisthenes, door elk gat van uw gescheurden mantel kijkt de ijdelheid naar buiten." Maar de in dit eenvoudige woord vervatte vermaning bleef zonder uitwerking.

Eene leer, zooals Antisthenes voordroeg, moest bij de lagere standen van Athene grooten bijval vinden; hij vond dan ook vele aanhangers, die met woord en daad zijn voorbeeld volgden. Door de hoogere standen werd zulk eene leer natuurlijk met afkeer en minachting ontvangen, derhalve gaven zij aan de aanhangers van Antisthenes den naam Cynici, hetzij naar de plaats, waar Antisthenes gewoonlijk zijn onderricht meedeelde, Cynosarges, hetzij dat wij dezen naam van het Grieksche Cuon, hond, moeten afleiden, omdat zij even eenvoudig leefden als honden.

De uitstekendste aanhangers der Cynische wijsbegeerte waren Crates en Diogenes; den laatste hebben wij reeds in gesprek met den jeugdigen Alexander ontmoet. Diogenes heeft zich door zijne geestige, spotzieke opmerkingen evenveel roem bij de Grieken verworven, als door zijne merkwaardige, onzen lezers bekende leefwijze. Toen hij eens de Olympische spelen bezocht, endaareemge jonge Rhodiërs in hunne prachtige kleeding aanschouwde, riep hij verachtelijk uit: «niets dan trots!" Onmiddellijk achter de Rhodiërs kwamen eenige Spartanen in hun eenvoudig gewaad. »Ook niets dan trots, sprak Diogenes lachend, «alleen is het trots van eene andere soort."

Van Olvmpia teruggekeerd antwoordde hij op de vraag, of er veel menschen bij de' wedspelen tegenwoordig geweest waren: «veel toeschouwers wel, maar slechts weinig menschen." Een dergelijk antwoord gaf hij bij eene andere gelegenheid aan eenige nieuwsgierigen, die hem op helder lichten dag met eene brandende lantaarn al zoekend over de markt van Athene zagen rondloopen en hem vroegen, wat hij toch uitvoerde. «Ik zoek een mensch,

hernam Diogenes. , ,

Crates van Thebe was de leerling van Diogenes, hij was de geleerdste, edelste en meest bezielde voorstander van de Cynische wijsbegeerte. In vereeniging met zijne echtgenoot Hipparchia predikte hij de onthouding van alle zinlijke genietingen. Na zijn dood begon de Cynische wijsbegeerte spoedig te ontaarden, de Cynici gingen alle perken der welvoeglijkheid te buiten, het Cvnisme werd misbruikt tot een masker voor de meest schaamtelooze ruwheid- het geraakte daardoor bij de Grieken in minachting en eerst toen Zeno van Cyprus omstreeks het jaar 330 v. C. dit verouderd stelsel met een nieuwen geest bezielde, ontwaakte het tot een nieuw leven. Zeno was een koopman van Cyprus, die zijne zaken aan kant gedaan en zich te Athene aan de beoefening der wijsbegeerte gewijd had. Hij leefde in de grootst mogelijke onthouding en matigheid en vereenigde het stelsel van Antisthenes met dat van

Streckfuss. II. ®

Sluiten