Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten zuidoosten van de Kaspische zee woonden, onder hun hoofdman Arsaces in opstand: zij verdreven de stadhouders van Antiochus II, alle pogingen om hen weer tot onderwerping te brengen waren vruchteloos, zij breidden zelfs hun rijk steeds verder in Middel-Azië uit. De Parthen behielden hunne oude zeden; zij bleven een plunderziek en dapper volk. hetwelk zich door zijne talrijke rooftochten geducht maakte en dikwijls tot Syrië doordrong. Bij de toenemende zwakte van het Seleucidische rijk gelukte het den Parthen eindelijk. alle landen tusschen den Euphraat en den Tigris te veroveren. Elk spoor van Grieksche beschaving werd door hen uitgedelgd; alleen Seleuciaaan den Tigris spaarden zij langen tijd; eindelijk echter verloor ook deze stad hare beteekenis: de Parthische koning Mithridates I maakte het vlek Ctesiphon tot zijne voornaamste legerplaats en deze werd spoedig groot en machtig.

Het tweede rijk, hetwelk slechts enkele jaren vóór het Parthische in Middel-Azië ontstond, was Bactrië. Wij vermeldden reeds met een enkel woord, dal een Griek Theodotus of Diodolus dat rijk stichtte. Het geraakte spoedig tot een hoogen trap van bloei en werd in die oostelijk gelegen landen het middelpunt van Grieksche beschaving. Onafgebroken oorlogen met de Parihen ondermijnden intusschen zijne macht en nadat het 130 jaren bestaan had, werd hel door de Scythische volksstammen, die den Jaxartes overtrokken, omstreeks het jaar 134 v. C. vernietigd. Later veroverden de Parthen het eigenlijke Bactrië.

Van alle rijken, die na den dood van Alexander den Grooten uit diens wereldrijk voortgekomen zijn, is het Egyptische zonder tegenspraak het belangrijkste. Gelijk Seleucus in Azië. zoo was Ptolemaeüs I, (die gelijk onze lezers zich herinneren, den bijnaam Soter droeg) in Afrika er op uit zich door een rechtvaardig en wijs bestuur de liefde en achting der aan zijn schepter onderworpen volken te verwerven.

Ptolemaeüs was de zoon van een aanzienlijk Macedoniër met nameLagus; zijn geslacht wordt daarom dikwijls dat der Lagiden genaamd; doch meestal wordt zijne dynastie onder den naam Ptolemaeën aangeduid, dewijl al zijne nakomelingen den naam Ptolemaeüs voerden.

De legende verhaalt, dat Ptolemaeüs slechts in naam de zoon van Lagus, doch inderdaad die van koning Philippus van Macedonië geweest is. ^oor de juistheid van deze overlevering getuigt de merkwaardige overeenkomst van inborst met Philippus van Macedonië, die wij bij Ptolemaeüs opmerken. Gelijk Philippus was hij een even groot veldheer als staatsman; even als Philippus verloor hij nooit zijne kalmte en beradenheid, gaf hij aan eene overwinning, door middel der diplomatie behaald, de voorkeur boven eene zegepraal, op hel slagveld bevochten, ofschoon hij ook het zwaard steeds wist Ie gebruiken en dat ook bezigde wanneer het noodig was. Om ijdelen roem gaf hij weinig. Arglistig en bedriegelijk, wanneer zijn voordeel er bij in liet spel was, ontzag hij zelfs geene wreede middelen om zijn doel te bereiken, doch hij wendde die nooit aan, wanneer hij door zachtheid en grootmoedigheid hetzelfde kon uitwerken. Hij was de eerste van alle veldheeren van Alexander, die het plan vormde om een onafhankelijk rijk te stichten en hij was ook de eerste wien dit gehikte, dewijl hij zich zelf wist te beheerschen, dewijl hij met zijn scherpen staalsmansblik inzag, dat eene wereldheerschappij niet in stand te houden was en hij zich hierom gewillig met Egypte vergenoegde.

Reeds zijne eerste regeeringsdaad in de nieuwesatrapie, die weldra zijn koninkrijk zou worden, toonde, hoe voortreffelijk hij de kunst verstond om zich de toegenegenheid des volks te verwerven. De door Alexander den Grooten zelf aangestelde satraap Cleomenes had zich door zijne knevelarijen bij het volk doodelijk gehaat gemaakt; onze lezers herinneren zich dat Alexander de Groote elke misdaad hem vergaf. De veldheeren hadden na den dood des konings bepaald, dal Cleomenes als onderstadhoiider Ptolemaeüs ter zijde zou staan. Doch Ptolemaeüs had volstrekt geen lust om een regent, wien dan ook, naast

Streckfcss, IX. 7

Sluiten