Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zee uitstrekt en ten noorden door de toenmaals geheel ontoegankelijke Alpenketen afgesloten wordt, bleef dus zoolang buiten alle aanraking met de beschaafde volken van het Oosten, als de scheepvaart in hare eerste kindsheid verkeerde. Eerst de toenemende bloei van den handel en de hoogere trap van volkomenheid, door de scheepvaart bereikt, gaf den oosterschen volken aanleiding om zich met hunne volkplantingen westwaart te richten.

Het zuidelijk deel van Italië, door de aardrijkskundigen ten onrechte Beneden-Ilalië genoemd, werd door Grieksche volkplanters in zulken getale overstroomd, hier schoot de Grieksche geest zoo diep en krachtig wortel, dat hel geheele landschap den naam Groot-Griekenland ontving zie Dl. I. blz. 354). Tot Middel- en Noord-Italië daarentegen strekte de stroom der kolonisatie zich volstrekt niet uil.

Door de volkplantingen kwamen de beschaafde volken van het Oosten het eerst in aanraking met de Italiaansche volksstammen, want deze zagen zich door de gesteldheid van hunne landen voor het grootste deel genoopt om niet in de zeevaart, maar in den landbouw en de veeteelt hun voornaamste middel van beslaan te zoeken.

De voor handel en scheepvaart zoo geschikte kust van Griekenland wordt bij het Italiaansche schiereiland geheel gemist. Daarentegen bieden vruchtbare, door rivieren doorsneden vlakten, met kruiden bedekte berghellingen en eene zachte gematigde luchtgesteldheid de gunstigste voorwaarden voor het drijven van een winstgevenden landbouw en eene voordeelige veeteelt aan.

In hun eigen land vonden de Italiaansche volken langen tijd een genoegzaam loon voor hun arbeid; zij zagen zich niet, zooals dit met de Grieken het geval was, genoodzaakt om avontuurlijke tochten naar verwijderde landen te ondernemen, zij bleven rustig thuis en treden daardoor zoo laat in de geschiedenis op.

Slechts aan de westkust treft men uitnemende havens en een tal van eilanden aan; hier alleen werd het volk dus van zelf tol de scheepvaart uitgelokt; doch de Italiaansche schepen kozen natuurlijk meer eene westelijke richting en vermeden daardoor de ontmoeting met de zeevaarders in de oostelijke wateren.

Het Italiaansche schiereiland wordt ten westen door de Tyrrheensche of Tuscische, ten zuiden door de Ionische, ten oosten door de Adriatische zee bespoeld. Ten noorden vormt de bergrug der Apennijnen zijne grenzen, want de vruchtbare, tusschen de Apennijnen en de Alpen gelegen vlakte van den Padus (Po) werd oudtijds om hare aardrijkskundige ligging, terecht niet tot Italië gerekend. Dewijl het land door Gallische volksstammen werd bewoond, droeg het den naam van Gallia Cisalpina d. i. het aan deze zijde der Alpen gelegen Gallië. Het deels door de Zee-Alpen, deels door de Apennijnen doorsneden en ten zuiden door de golf van Genua bespoelde bergland van Boven-Italië heette Ligurië.

De Apennijnen mei hunne zijtakken loopen geheel het schiereiland door. In het midden van Italië bereiken zij in de Abruzzen hunne aanzienlijkste hoogte, welke gemiddeld 6000, maar op den hoogsten top ongeveer 9000 voet bedraagt. In het zuiden verdeelt het gebergte zich in twee lakken en loopt het in de beide, door de goll van Tarente gescheiden schiereilanden uit. De westelijke tak vindt zijne voortzetting in de gebergten van Sicilië, waarvan het slechts door de smalle straat van Messina gescheiden is. ^ormt de Peloponnesus de zuidelijke voortzetting van het Grieksche schiereiland, hetzelfde doet Sicilië ten opzichte van Italië, ofschoon de strook gronds, die ginds de beide gedeelten van hetzelfde land aan elkander hecht - de Isthmus van Corinthe — tusschen Sicilië en Italië ontbreekt, dewijl hier de diepe vallei tusschen de beide gebergten aan de wateren van de Middellandsche zee vrijen toegang verleent.

De Apennijnen, die geheel Italië doorsnijden, rijzen nergens als een steile bergketen omhoog. In hunne dalen en hoogvlakten, die door gemakkelijk

Sluiten