Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk streng. De Duumviri nioesleu den moordenaar wegens doodslag vonnissen; werd hij veroordeeld, dan omsluierden ze zijn hoofd en hingen zij hem met touwen aan het vloekhout op; alleen het volk kon op het beroep des veroordeelden genade verleenen.

De Duumviri spraken hun vonnis uit: »Puhlius Horatius," zoo riep één hunner, »ik verklaar u schuldig aan openbaren doodslag; ga heen, lictor, bind hem de handen. De lictor trad toe en wierp hem den strik om; doch Horatius, door koning Tullus hiertoe aangespoord, beriep zich op het volk.

De vader van den veroordeelde smeekte de volksvergadering om genade; hij verklaarde, dat zijne dochter met recht gedood was; hij bad dat men hem, die nog kort geleden zóó rijk aan voortreffelijke zonen was geweest, niet geheel kinderloos maken zou.

Onder hel uitspreken van deze woorden omarmde de grijsaard zijn zoon en vervolgde, terwijl hij beurtelings op de wapenrusting der Curiatiërs en op den veroordeelde wees: »Kunt gij, Quiriten, dezen man, dien gij nog voor weinige oogenblikken, met vreugdegejuich begroet, als overwinnaar hier binnen zaagt trekken, nu onder de galg gebonden, geslagen en gemarteld zien? Dit zouden zelfs de oogen der Albanen nauwelijks kunnen aanschouwen. Ga nu, lictor, bind de handen, die zoo even voor het Romeinsche volk de heerschappij veroverd hebben, omsluier den bevrijder van deze stad het hoofd, hang hem op aan hel vloekhout, geesel hem lusschen de wapenrustingen zijner vijanden of wel builen de stad, maar aan deze zij van de graven der Curiatiërs."

De behaalde zegepraal lag nog te versch in het geheugen des volks, dan dat het aan de tranen des vaders had kunnen weerstand bieden. De jeugdige moordenaar werd vrijgesproken.

Ten einde den moord ten minste eenigermate Ie verzoenen, werd dwars over de straat een balk gelegd op de wijze van een galg, en hieronder moest Horatius met gesluierd hoofd doorgaan. Deze bulk was vele eeuwen later nog te zien en werd de zusterhalk genoemd.

De vrede met de Albanen was niet van langen duur. Mettius Fufetius was volstrekt niet gezind om het bezworen verdrag te houden: hij wendde zich lol de inwoners van Fidenae^ eene Romeinsche volkplanting, en tot die van Veji , welke sinds onheugelijke lijden met de Romeinen in vijandschap leefden. Reiderstaten spoorde hij tol den oorlog tegen Rome aan, waarbij bij hun zijne hulp beloofde. Toen Fidenae openlijk van de Romeinen afviel, trok Tullus Hostilius met zijn leger legen den vijand op. Overeenkomstig hel gesloten verdrag riep hij Mettius Fufetius met zijne Albanen ter hulp, hij zelf betrok een kamp nabij het punt waar de Anio zich in den Tiber stort. Tusschen zijne legerplaats en Fidenae was hel leger van Yeji den Tiber overgetrokken en had daar evenzeer een kamp opgeslagen.

Mettius Fufetius durfde aan het bevel van den Romeinschen koning nog geene gehoorzaamheid weigeren; hij verscheen aan het hoofd van zijne troepen en legerde zich op eene berghelling, gelijk hem bevolen was; doch hij was volstrekt niet voornemens deel Ie nemen aan den strijd, die weldra zou ontbranden. Werden de Romeinen verslagen, dan eerst wilde hij op hen aanvallen om hun nederlaag te voltooien; bleven zij overwinnaars, dan wilde hij voor den schijn hun trouw en hulp bewijzen.

De slag begon. De Romeinen, die hoopten dat de Albanen dapper aan hunne zijde zouden strijden, zagen dezen eensklaps aftrekken. Een ruiter rende op den koning aan, om hem dit mee te deelen. Tullus vatte een kort en kloek besluit. Met luide scheldwoorden, die zelfs door den vijand verstaan konden worden, zond bij den ruiter naar zijne gelederen terug: hij verklaarde, dat die angst overbodig was, dat het Albaansche leger op zijn bevel aftrok om de Fidenaten in den rug Ie vallen. Te gelijker tijd gelastte hij hem het bevel over te brengen, dat de ruiters hunne lansen in de hoogte moesten houden. Dit geschiedde, het Romeinsche voetvolk werd daardoor verhinderd

Sluiten