Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog bijeen, toen het bericht van de herhaalde trouwbreuk der patriciërs hun Ier oore kwam. In de nachtelijke samenkomsten was sinds lang het besluit genomen om. zoo noodig, de daad bij het woord te voegen; thans was de tijd tot handelen daar. De gewapende plebejers trokken gezamenlijk naar den heiligen berg. welke drie Romeinsche mijlen. 3000 schreden, van de stad verwijderd en op den anderen oever van den Anio gelegen was; hier verschansten zij zich, zij verkozen zich een aanvoerder en verklaarden, dat zij eene nieuwe stad wilden stichten.

Wat zou er van Rome worden, wanneer de plebejers hun besluit ten uitvoer brachten? De patriciërs zagen zich dan wel in het bezit van eene onbeperkte macht, maar zij hadden geen volk, waarover zij konden regeeren. Zelfs de heftigste tegenstanders der plebejers, de hooghartigste edelen moesten thans inzien, dat wanneer de stad in twee vijandelijke legerkampen verdeeld werd, haar ondergang onvermijdelijk was, daar zij van alle zijden door vijandige volken bedreigd werd.

De senaat besloot, afgevaardigden naar de plebejers te zenden en met hen over de voorwaarden, waarop zij terug wilden keeren, te onderhandelen. Tot hoofd van het gezantschap benoemde men een aanzienlijk man, Menenius Agrippa, die bij liet volk geliefd was, dewijl hij tot de in den senaat opgenomen plebejers behoorde. Menenius Agrippa werd door het gewapende volk als gezant ontvangen. Naar het verhaal van Livius volvoerde hij de hem opgedragen taak: hij bracht de opgeruide volksmenigte tot rust door het verhalen van een fabel. »In den tijd," zoo sprak hij tot het vergaderde volk. «toen de menschelijke ledematen nog niet tot één ondeelbaar geheel verbonden waren, toen nog elk afzonderlijk lid zijn eigen wil en zijne eigen taal bezat, waren de overige ledematen boos op de maag, dewijl deze niets deed dan het voedsel verteren, dat zij ten koste van vegl zorg en zwaren arbeid moesten aanbrengen. Zij verbonden zich onder eede. dat de handen geene spijs meer naar den mond brengen, de mond geen voedsel meer aannemen, de tanden niets meer vermalen zouden; zij wilden de maag door honger gedwee maken en zij voerden hun plan ook uit. Maar terwijl zij dit deden teerden de ledematen, even als het gansche lichaam, geheel en al uit, het bleek, dat ook de maag niet werkeloos was, dat ook dit lichaamsdeel zijne diensten bewees, dat het niet alleen gevoed werd maar evenzeer voedsel schonk, dat het, dooide gelijkmatige verdeeling van het bloed in de aderen, aan alle deelen des lichaams leven en kracht terugschonk."

Menenius Agrippa toonde door deze fabel aan, dal ook de binnenlandsche onlusten het lichaam van den staat verwoestten, dal de verbittering van de plebejers tegen de patriciërs gelijk stond met de verbittering van de ledematen tegen de maag. Met zijne fabel, zegt Livius, bracht hij een volslagen ommekeer in de gemoederen te weeg, hij maakte hen tot verzoening geneigd, doch eerst nadat de patriciërs op eenige belangrijke punten de wenschen der plebejers hadden ingewilligd: de schulden der onvermogenden moesten gedelgd, de nog in slavernij zuchtende plebejers vrijgelaten worden.

Ten einde den geheelen stand in het vervolg tegen al te zware onderdrukking te beveiligen, werd een nieuw ambt, dat der volkstribunen, in het leven geroepen. Hierdoor verkregen de plebejers een werkzaam aandeel aan het bestuur van den staat; zij werden vertegenwoordigd door de twee jaarlijks aftredende volkstribunen, die in den aanvang nog door de centuriën gekozen en door de curiën in hun ambt bevestigd werden; later evenwel benoemden de afzonderlijke vergaderingen der plebejers, de comitia tributa, de tribunen, wier aantal in later tijd tot vijf en zelfs tot tien verhoogd werd.

De taak der tribunen was, het volk tegen willekeurige maatregelen van de zijde des adels te beveiligen; hiertoe hadden zij het recht om tegen de benoeming van alle ambtenaren, behalve ten tijde eener dictatuur, zich te verzetten, door hun »Veto" (ik verbied hel) uit te spreken en zulk eene keuze op die wijze

Sluiten