Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Licinius Stolo en Lucius Sextius, die voor het volk optraden met nieuwe, hoogst belangrijke wetsvoordrachten, welke de vermeerdering van de macht der plebejers ten doel hadden.

De overlevering verhaalt ons, dat Gajus Licinius Stolo, die de dochter van een aanzienlijk patriciër tot vrouw had, door zijne echtgenoot tot het indienen van het door hem voorgedragen wetsvoorstel aangespoord werd. Deze vrouw had namelijk eens een bezoek gebracht bij liare zuster, die met een aanzienlijk patriciër, een der krijgstribunen, gehuwd was. Hier had zij met afgunstig oog de eerbewijzen aanschouwd, welke baar zwager ten deel vielen; haar trots werd hierdoor op zeer gevoelige wijze gekwetst. Van ditoogenblik af hield zij niet op haar echtgenoot met aanzoeken te bestormen, dat hij dezelfde eereblijken ook voor de plebejers verwerven zou.

Wat in dit verhaal waarheid, wat daarin verdichting zij, weten we niet. Gewoonlijk wordt het door de geschiedschrijvers om zijne onwaarschijnlijkheid geheel naar het gebied der fabelen verwezen. Dit komt ons echter vrij gewaagd voor, dewijl we meermalen in de gelegenheid zijn om op te merken, dal groote gebeurtenissen uit kleine, zelfs uit beuzelachtige oorzaken voortkomen. De eerzucht der vrouwen is in vroegere en latere tijden dikwijls de drijfveer voor de handelingen der mannen geweest. Het vervolg der geschiedenis zal ons daarvan meer dan één voorbeeld opleveren.

Al is het dus mogelijk, dat ook Licinius' vrouw den eersten stoot tot de belangrijke wetsvoordrachten van haar echtgenoot gegeven heeft, zeker is het, dat hij die jaren achtereen moedig verdedigde. De wetsvoorstellen, welke Licinius en Sextus indienden, toen /.ij in het jaar 376 v. C. tot volkstribunen verkozen werden, waren de volgende. Het eerste voorstel hield in, dat voortaan géene krijgstribunen met consulaire macht meer verkozen zouden worden, maar0 dat ten "minste één der consuls een plebejer moest zijn, terwijl de plebejers bovendien verkiesbaar zouden zijn als leden van het collegie dei orakelbewaarders, welks ledental tot. tien verhoogd zou worden. Volgens het tweede voorstel zou geen burger het recht hebben om meer dan 100 runderen en 500 schapen op de openbare weide te drijven; van de staatslanderijen zou niemand een grooter stuk dan S00 jugera (morgen) in bezit mogen nemen; de grondeigenaars zouden verplicht zijn om boven hunne voor den landbouw bestemde slaven een aan hunne menigte geëvenredigd aantal vrije arbeiders te gebruiken. Het derde wetsvoorstel bepaalde, dat door terugbetaling van de verschuldigde sommen bij bepaalde termijnen den schuldenaars eenige verlichting aangebracht zou worden, nooit zou het kapitaal door opeenhooping van renten bovenmate mogen aangroeien, want de reeds betaalde renten zouden van het kapitaal moeten worden afgetrokken.

Dit waren wetsvoordrachten van ver reikende strekking. Door het eerste voorstel werd den adel niet alleen het recht op het bekleeden van het consulaat ontroofd, hetwelk hij tot dusver zonder tegenspraak bezeten had, ook in de geestelijke ambten drongen de plebejers zich in, al eischten zij voorshands nog niet, onder de augurs en pontifices te worden opgenomen.

Door het tweede voorstel werd het grondbezit der rijken en machtigen beperkt. door het derde den armen schuldenaars gelegenheid gegeven om hunne schulden te betalen. Deze voorstellen hadden dus niet alleen eene staatkundige, maar ook eene maatschappelijke strekking; de aanneming daarvan stond in het oog der patriciërs met het verlies van hunne macht gelijk. De voorrechten, die hun verder nog overbleven, waren van weinig beteekenis en het liet zich' zelfs aanzien, dat binnen zeer korten tijd ook de rest der privilegiën des adels verdwijnen zou, indien eerst maar de toegang tot het consulaat voor de plebejers was opengesteld.

De adel bezigde dan ook alle mogelijke middelen om de aanneming van deze wetsvoordrachten te verhinderen; voornamelijk bouwde bij zijne hoop op de onderlinge oneenig'neid der plebejers. Reeds hadden zich in den boezem

Sluiten