Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vereisclil. met zijne logge olifanten zelfs moest Hannibal door eene hem onbekende wildernis langs inel ijs en sneeuw bedekte hoogten voorwaarts trekken. Zijn leger werd onophoudelijk verontrust door barbaarsche volksstammen die de gebergten bewoonden, en op wie hij eerst eiken duim breed gronds met het zwaard in de vuist veroveren moest. Na ontelbare zwarigheden overwonnen en dagelijks verschillende gevechten geleverd te hebben, bereikte het Carthaagsche leger eindelijk het hoogste punt van den pas; het had voor dien tocht negen dagen besteed.

«Hier op eene door liooger rijzende bergketens beschutte hoogvlakte, die zich rondom een klein meer, de bron der Doria, uitstrekt en ongeveer twee en eene halve mijl in omtrek heeft, liet hij het leger uitrusten. Een geest van moedeloosheid had zich reeds in zekere mate van de gemoederen meester gemaakt.

De toenemende onbegaanbaarheid der wegen, liet afnemen der levensmiddelen, de eindelooze marschen, waarbij men onophoudelijk aan de aanvallen van een onzichtbaren of althans onbereikbaren vijand bloot stond, de sterk gedunde gelederen, de hopelooze toestand der afgedwaalden en gewonden, gevoegd bij de omstandigheid dat hel doel van den tocht in aller oog, behalve in dat van den veldheer en van hen die hem het naast omringden, eene hersenschim was, begonnen zelfs bij de Afrikaansche en Spaansche veteranen allen moed uit te blusschen.

Toch verloor de veldheer geen oogenblik zijn onwrikbaar zelfvertrouwen. Een groot getal der afged waalden voegde zich weer bij het leger, de met hen bevriende Galliërs waren in de nabijheid, het hoogste punt van hun wegwas bereikt, en liet voor de bergbestijgers zoo verkwikkend uitzicht op het afdalend pad geopend. Na eene korte rust maakte men zich met nieuwen moed voor de laatste en moeilijkste onderneming, het afdalen langs den pas gereed. Hel leger werd thans niet, of althans niet op eenigszins ernstige wijze door vijanden verontrust, maar hel gevorderde jaargetij — men was thans in de eerste helft van September — veroorzaakte bij het afdalen niet minder moeilijkheden, dan de aanvallen der Barbaren hun bij het beklimmen van de bergen opgeleverd hadden.

Op de steile en glibberige berghelling langs de oevers van de Doria. waar de versch gevallen sneeuw de paden deels bedekt, deels onbegaanbaar gemaakt had, verdwaalden menschen en dieren, velen gleden zelfs uit en stortten in den afgrond neer. Na het volbrengen van den eersten dagmarsch bereikte men een punt, waar over eene lengte van ongeveer 200 schreden de eene lawine na de andere van de steil overhangende rots neerstortte en waar in koude zomers de sneeuw hel geneele jaar door liggen blijft.

Het voetvolk kwam er gelukkig voorbij, maar de paarden en olifanten waren niet in staat de gladde ijsmassa's, die slechts met eene dunne laag versch gevallen sneeuw bedekt waren. te passeeren. De veldheer sloeg dus boven die gevaarlijke plek met den legertrein, de ruiterij en olifanten het bivouak op. Den volgenden dag begonnen de ruiters met inspanning van alle krachten een weg voor de paarden en lastdieren te graven, doch eerst na een arbeid van vier dagen, waarbij men elkaar onophoudelijk had afgelost, konden eindelijk de half verhongerde olifanten overgevoerd worden. Zoo was na een oponthoud van K dagen het gansche leger weer vereenigd en nadat men weder drie dagen gemarcheerd had door het steeds breeder en vruchtbaarder wordende dal der Doria. welks inwoners (de Salassers, een aan de fnsubriërs cynsbare volksstam) de Carthagers als hunne bondgenooten en bevrijders begroetten, kwam het leger omstreeks het midden van September in de vlakte van fvrea aan. Hier werden de uitgeputte troepen in verschillende dorpen ingekwartierd om zich door goede verpleging en eene rust van li dagen van de voorbeeldelooze vermoeienissen en ontberingen te herstellen *).

*) Uit Mommsens Romeinsche geschiedenis.

Sluiten