Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te worden; de inwoners der belegerde stad zonden boden, wien het gelukte door de Romeinsche legerplaats been te sluipen, naar Hannibal af. die bij Tarente stond, en drongen bij hem op spoedige hulp aan. Met versnelde marsdiep trok bij naar Campanië, doch ditmaal weken de Romeinen voor hem niet. In hunne duchtig versterkte legerplaatsen hielden zij stand en Hannibals krijgsmacht was le zwak om een storm te kunnen ondernemen. Slechts ééne hoop koesterde hij nog. Wanneer hij zijn leger naar Home voerde, dan zouden de Romeinsche veldheeren, naar zijne meening, de belegering van Capua opgeven, om de hoofdstad te redden. Derhalve rukte hij eerst door Samnium noordwaarts en vervolgens naar het zuiden en weldra stond hij op eene mijl afstand van Rome.

«Hannibal ante portas!" (Hannibal staat voor de poorten) die angstkreet weergalmde door de straten van Rome en bleef eene reeks van jaren nog als een spreekwoordelijk gezegde in den mond van het nageslacht voortleven. Doch hoe groot de schrik ook was, die in de hoofdstad heerschte, slechts eene kleine troepenafdeeling werd uit het leger van Capua naar Rome afgezonden. De Campanische hoofdstad bleef even nauw ingesloten als vroeger en Hannibal kon bij de geringe macht, waarover hij te beschikken had, niet ernstig aan eene belegering van Rome denken, welke buitendien ook niet in zijn plan lag. Hij moest terugkeeren en hoewel het hem gelukte, een Roineinscb leger onder den consul Publius Sulpicius Galba, dat hem op de hielen zat, te verslaan, was hij toch niet in slaat Capua te ontzetten. De ongelukkige stad was aan zulk een gebrek ter prooi, dat zij zich niet langer verdedigen kon. De Capuanen wisten wel, dat hun ingeval van overgave een vreeselijk lot boven het hoofd hing; hierom beroofden 28 der aanzienlijkste senatoren zich dan ook vrijwillig van het leven door zich aan een laatsten maaltijd te vereenigen, waarbij de spijzen met vergif vermengd waren. Den volgenden dag werden de poorten voor de Romeinen geopend. De Romeinsche soldaten trokken de stad binnen, ontwapenden de burgerij en deelden den aanzienlijksten mannen der stad hel bevel mede om in de legerplaats voor de Romeinsche veldheeren te verschijnen. Hier werden deze ongelukkigen in boeien geslagen en deels naar Cales, deels naar Teanum in verzekerde bewaring gebracht.

De twee Romeinsche legerhoofden Quintus Fulvius Flaccus en Appius Claudius waren het over de behandeling van de gevangenen niet eens. Claudius was geneigd om vergiffenis te schenken, Fulvius daarentegen tot strenge maatregelen gezind. Hierom drong Appius Claudius er op aan, dal de Romeinsche senaat zelf het lot der gevangenen beslissen zou. "Ü schreef dan ook op staanden voet aan den senaat. Toch wist Fulvius dat plan te verijdelen. Aan het hoofd eener ruiterbende spoedde bij zich naar Teanum; hier liet hij de Capuanen voor zich brengen, worgen en onthoofden en snelde vervolgens naar Cales. Toen bij ook hier op den rechterstoel zat, om hetzelfde vonnis over de Capuaansche senaloren uit te spreken, kwam een renbode uil Rome aan, die hem een schrijven van den praetor met een senaatsbesluit overhandigde. Een gefluister doorliep de rijen der samengestroomde volksmenigte, de een gaf den ander te kennen, dat dit schrijven zeker de vrijspraak der senatoren inhield, ook Fulvius vermoedde dil. Hij nam daarom den brief wel aan, doch legde dien in zijn schoot, zonder het zegel te verbreken. Nu gaf bij bevel, dat de lictor zijn plicht zou doen: de senatoren werden Ier dood gebracht.

Eerst nadat hel bloedbevel ten uitvoer gelegd was, las Fulvius den brief en het senaatsbesluit, met opzet deed bij dit le laat om de terechtstelling te laten doorgaan. Hij slond van zijn zetel op. Nu trad, volgens het verhaal van Livius, eensklaps een Campaniër, Jubellus Taurea, voor hem. «Geef bevel om ook mij te dooden," riep hij buiten zich zelf van woede, »dan kunt gij u beroemen, dat gij een man gedood hebt, die veel dapperder is

Sluiten