is toegevoegd aan je favorieten.

De geschiedenis der wereld, aan het volk verhaald

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhaald, die bijna ongeloofelijk zijn; wij willen onzen lezers slechts één daarvan, volgens het verhaal van Livius, inededeelen.

De consul Lucius Quinctius Flamininus, de broeder van den beroemden Titus Quinctius Flamininus, werd met het opperbevel in Gallië bekleed. Hij nam een jongen, schoonen Puniër, Philippus genaamd, voor wien hij eene schaamtelooze liefde koesterde, met zich. Philippus was den consul niet bereidwillig gevolgd, daar hij juist vóór een wedstrijd van zwaardvechters Rome verlaten moest. Hierop placht hij meermalen pruttelend terug te komen. Toen op zekeren tijd de consul en de knaap te zamen aan tafel zaten, werd hun medegedeeld, dat een aanzienlijk Bojer met zijne kinderen als overlooper in het kamp aangekomen was, en dat hij den consul wenschte te spreken om van hem persoonlijk de belofte van bescherming te ontvangen.

De door den wijn opgewonden consul gal bevel om den Galliër te doen binnentreden. Terwijl deze begon te spreken viel Flamininus hem in de rede, terwijl hij zich tot Philippus wendde, met het woord: »Gij hebt liet vuistgevecht te Rome in den steek moeten laten, hebt gij nu lust, dezen Galliër te zien sterven?" De knaap knikte met het hoofd, ternauwernood in ernst; de consul greep zijn zwaard en bracht daarmee den Galliër een diepen houw in hel hoofd toe. De ongelukkige was niet terstond dood, hij had nog kracht genoeg om te ontvluchten; doch de consul vervolgde en doorboorde hem, in weerwil van zijn srneeken om lijfsgenade.

Op die wijze verhaalde Cato, toen hij Flamininus in den senaat aanklaagde, diens misdaad. Volgens Valerius van Antium echter heeft hel gebeurde zich eenigszins anders, maar niet minder vreeselijk toegedragen. Hij verhaalt namelijk, dat Flamininus te Placentia eene beruchte lichtekooi, die hij vurig beminde, aan tafel had genoodigd. Terwijl zij met hem aan de tafel aanlag, liet zij zich ontvallen, dat zij nog nooit iemand had zien onthoofden en hartelijk wenschte, dit schouwspel eens te zien. Terstond liet de consul een ongelukkigen Galliër in zijne tegenwoordigheid brengen en hieuw hem het hoofd af.

Livius, wien wij dit verhaal danken, besluit het met deze woorden: »Dit was eene vreeselijke en afschuwelijke misdaad, hetzij zij op de door Cato of op de door Valerius vermelde wijze begaan is. Afschuwelijk is het, bij beker en maaltijd, waarbij het de gewoonte is, den goden hun aandeel te wijden en het goede toe te wenschen, aan eene lichtzinnige boeleerster, die in den schoot des consuls aanligt, een mensch ten offer te slachten en met diens bloed den disch te hespatten".

Cato schrapte in zijne betrekking als censor wegens deze misdaad Lucius Quinctius Flamininus, in weerwil van zijn hoogen rang en zijn rijkdom, van de naamlijst der senatoren. Doch de Romeinsche adel was onbeschaamd genoeg zijn standgenoot in bescherming te nemen en diong er op aan dat hij in bet theater, waar de senatoren afzonderlijke plaatsen hadden, zijne plaats als senator weer innemen zou.

De schandelijkste laagheid bleef dus ongestraft, omdat zij door een man van hoogadellijke geboorte begaan was, gelijk men om de hoogste eerambten in den staat te bekleeden, slechts lot eene der aanzienlijkste familiën van Rome behoefde te behooren.

Het gevolg van dit alles kon niet uitblijven: onbekwame menschen ontvingen het opperbevel in den oorlog. Wij hebben reeds gezien, hoe schadelijk dit werkte, hoe de Romeinsche legioenen menigmaal door nietsbeteekenende vijanden verslagen werden, totdat eindelijk het volk alle geduld verloor en de verkiezing van een (linken veldheer doorzette.

Ten einde het bewind voortdurend in handen van enkele familiën te doen blijven, had de adel gezorgd, dat het aantal der hoogste ambten slechts klein was; hoewel de uitbreiding van het grondgebied van den staat natuurlijk eene vermeerdering van het getal staatsbeambten had teweeggebracht. Te gelijker tijd echter poogde hij te beletten, dal een enkel man zich van de oppermacht