Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat is een vreeselijke ziekte! Groote God!

Hoe flink was nog zoo even hij, die nn zoo raast.

Zóó plotsling overviel de zware ziekte hem!

Ik ga en roep den arts zoo gauw ik kan.

Nu is Menaechmus II vrij: hij loopt zoo gauw als hij kan weg. De grijsaard komt met een dokter, doch, tot zijn ongeluk! terzelfder tijd Menaechmus I. Diep bekommerd treedt hij op.; hij heelt heden alles verloren: de gunst zijner geliefde, zijner vrouw en van zijn tafelvriend. Nu treedt bovendien ook de arts op hem toe, met de bewering, dat hij zelfs het verstand er bij verloren heelt. Iloe bedenkelijk is in het oog van den geneesheer de nieuwe uitbarsting van woede, nu men hem als een krankzinnige begint te behandelen, te bedenkelijker, daar hij van de vroegere razernij van Menaechmus II niets weet. En bij tiert des te erger, naarmate hij vaster overtuigd is, dat hij volkomen in het bezit is van zijne verstandelijke vermogens. Eindelijk wordt er bepaald, dat de arts hem in huis nemen zal. om daar zijne genezing te beproeven: zijn eigen huis wordt voor hem gesloten, hij blijft alleen en troosteloos op de straat zitten.

Intusschen komt Messenio terug, die de zaken van zijn meester — Menaechmus II — goed bezorgd heeft en hem nu uit de klauwen der boeleerster wil verlossen. Iloe verschrikt hij, als hij slaven ziet naderen, om Menaechmus I, dien hij voor zijn heer aanziet, in boeien te slaan, Zij willen hem wegvoeren: daar slaat hij er dapper op los en helpt den van alle kanten besprongen man om de slaven weg te ranselen. Deze staat verstomd van dankbare verwondering over de edelmoedige hulp, hem door een onbekende geboden en staat hem zijn verzoek om vrijheid, als loon voor de bewezen weldaad, volgaarne toe. Alles komt hem zoo dwaas voor, dat hij zelf zich bijna voor krankzinnig zou gaan houden: hij verwijdert zich. Messenio, die reeds vroeger weggegaan was om zijn meester mantel en geld terug te brengen, keert nu met dezen (Menaechmus II) weder. De laatste weet natuurlijk niets van de vrijheid aan zijn slaaf geschonken. Nieuwe verwarring, nieuwe verbazing!

Eindelijk zal bet raadsel worden opgelost. Menaechmus I keert terug: Messenio ziet nu twee Menaechmussen te gelijk voor zich. Hij vraagt naar beider namen, afkomst en vaderland. Weldra is hij de waarheid op het spoor, die na een enkel komiek misverstand spoedig aan bet licht gebracht is: Menaechmus van Syracuse heelt te Epidamnus zijn tweelingbroeder teruggevonden. Deze vat terstond bet besluit op om met den ander naar zijne vaderstad terug te keeren: reeds binnen weinige dagen zal alles verkocht worden en Messenio de vrijgelatene en als zoodanig ook door zijn heer erkende, draagt als omroeper zelf het komieke slot voor, waarin hij de verkooping van Menaechmus'huizen, akkers, meubelen, zelfs van zijne vrouw aankondigt, en eindelijk, naar gewoonte, om de bijvalsbetuigingen der toeschouwers vraagt.

En wie kon den gevraagden bijval aan een blijspel weigeren, dat ongetwijfeld tot de voortreffelijkste behoort, welke de letterkunde van alle eeuwen kan aanwijzen? Iloe buitengewoon rijk bet aan komische toestanden is, hoe ongedwongên de ééne lachwekkende bijzonderheid met de andere in verband gebracht wordt, dit behoeven wij slechts met een enkel woord aan te duiden, daar de uitvoerige inhoudsopgave van het stuk ons van alle verdere redeneering ontslaat. Het effect — en op effect in den besten zin des woords was dit stuk geheel en al aangelegd — moet op het Romeinsche tooneel des te grooter en natuurlijker geweest zijn, daar men door middel van maskers de gelijkenis der beide broeders op eene waarlijk misleidende wijze voorstellen kon. Dat de gekrenkte echtgenoot voor de schandelijke behandeling, haar aangedaan, niet de minste vergoeding ontving, hiervan zullen wij een blijspel der ouden geen verwijt maken.

De Menaechmi zijn, wat het hoofddenkbeeld betreft, hetwelk tot zoovele lachverwekkende verwikkelingen aanleiding geeft, ook door nieuwere dichters

Sluiten