Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den eenigszins verslapten vriendschapsband mei zijne beide bondgenoolen weer nauwer aan te halen. Het driemanschap werd vernieuwd en liet besluit genomen. dat Pompejus en Grassus eerst tot consuls en daarna tol stadhouders in belangrijke provinciën benoemd zouden worden: aan Pompejus werd het stadhouderschap over Spanje, aan Crassus dal over Syrië voor den tijd van vijfjaren toegezegd. Caesar daarentegen bedong voor zich, dat het opperbevel, waarmee hij thans bekleed was, voor de volgende vijf jaren (54—4!) v. Oir.) verlengd zou worden. Nauwelijks was het driemanschap vernieuwd, of de invloed van het verbond deed zich terstond krachtig gevoelen. De heftigste tegenstander van Pompejus, Clodius, liet zich door Caesar bewegen om zich rustig te houden en toen nu Pompejus en Crassus naar het consulaat voor het jaar 55 dongen, zagen zij. hoewel eerst na heftigen strijd, hun wensch vervuld. Wel werden er weer binnen Rome straatgevechten geleverd, waarbij Milo zijne gladiatoren voor de senaatspartij in het gevecht bracht; wel moest de verkiezing langen lijd verschoven worden, doch eindelijk zegevierden Pompejus en Crassus; zij werden tot consuls benoemd en de te Luca gemaakte afspraken der driemannen, op voordracht van den tribuun Trebonius, tot een volksbesluit verheven, hoe krachtig ook Cato. die met recht duchtte dat het bestaan der republiek door de verbondenen in gevaar gebracht worden zou, zich daartegen verzette. Het jaar liep ten einde: Caesar werd nog door den oorlog in Gallië bezig gehouden, Crassus ging als stadhouder naar Syrië, en Pompejus moest zich in dezelfde betrekking naar Spanje begeven. Maar hij vreesde niet zonder reden, dat zijne vijanden van zijne afwezigheid partij zouden trekken om hem te benadeelen; bij bleef derhalve te Rome, onder voorwendsel, dat de taak, om de hoofdstad van levensmiddelen te voorzien, hem voor een tijdperk van vijf jaren opgedragen was, en liet zijne provincie door legaten besturen; bij hoopte zich in de hoofdstad zóó vast te nestelen, dat het zijnen mededingers, wier teugellooze eerzucht hij duchtte, niet mogelijk zou zijn, hem len val te brengen.

Yan den éénen mededinger zou hij spoedig genoeg ontslagen worden, maar des te gevaarlijker werd voor hem de ander.

Crassus was naar Syrië gegaan, in de hoop dat bij daar, evenals eens Pompejus, gemakkelijk Ie behalen lauweren plukken en een rijken buit verzamelen zou. Sinds het jaar 56 v. Chr. was in Azië een oorlog tusschen de Romeinen en de Parthen ontbrand. Crassus meende, dat hij dien spoedig ten einde brengen en met zijne legioenen de lafhartige Aziaten zónder veel moeite op de vlucht drijven kon. Zonder den oorlog verklaard te hebben, drong bij in hel jaar 54 over den Euphraal; zonder slag of stoot nam bij eenige steden van Mesopotamië in bezit, en hij werd hierdoor zoozeer in zijne hoop op de overwinning versterkt, dat hij zich gedurende den winter aan eene vadsige rust • overgaf; in plaats van den strijd zoo krachtig mogelijk voort te zeiten, maakte hij van dezen lijd van rust gebruik, om de in de nabijheid gelegen tempels, waaronder ook dien te Jeruzalem, van hunne schatten te berooven. Plutarchus verhaalt, dat Crassus zijn tijd niet als een veldheer, maar als een geldwolf doorbracht.

In de lenle van het jaar 53 drong hij aan het hoofd zijner legioenen andermaal over den Euphraat; door een verraderlijken bondgenoot, een Arabisch opperhoofd, liet hij zich verleiden om zijn uit 7 legioenen en 4000 ruiters bestaand leger door de woeste steppen van zuidelijk Mesopotamië tegen de hoofdmacht der vijanden aan te voeren, om deze met één slag te vernietigen. Nadat de Romeinen in de onafzienbare zandwoestijn vreeselijk door honger en dorst geteisterd waren, zagen zij zich eensklaps omringd door het geheele Parthische leger, waarmee zich ook de Arabische vorst verbonden had.

Surena, de Parthische veldheer, kende de wijze, waarop de Romeinen gewoon waren !e vechten; hij wist, dat de legioenen in den strijd van man tegen man onoverwinlijk waren, terwijl bij op het Aziatische voetvolk niet kon rekenen; daarom had hij dan ook de voortreffelijke Parthische ruiterij tegen de

Streckiuss. II. 33

Sluiten