Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den achtergrond le kunnen schuiven. Zoo naderde de herfst, zonder dal er iels beslist was. Caesar trok op naar Ravenna, de meest zuidelijke grensstad zijner provincie, om daar Pompejus' vertrek uit Rome af te wachten. Inmiddels spande deze met zijn aanhang alle krachten in, om de stemming over Curio's voorstel geheel te verhinderen, doch eindelijk moest men toegeven. Pompejus leed eene vreeselijke nederlaag; met 370 tegen 20 stemmen besloot de senaat, dat de beide veldheeren hunne ambten zouden nederleggen. Caesar had reeds te kennen gegeven, dat hij in dit besluit berustte. Pompejus integendeel weigerde te gehoorzamen; — dit was juist wat de eerste wenschte. Nu was hij een man, die trouw en volgzaam, zonder eer- of zelfzucht de wet naleefde; Pompejus daarentegen een revolutionnair! Kwam het in dit oogenblik tot een strijd, dan kon hij in schijn voor de wet strijden, haar te gelijker tijd verkrachten, en alle verantwoording op Pompejus en diens partij laden.

was dan ook verder zeer toegevend, zeer verzoenend, steeds gereed tol minnelijke schikkingen, ja zelfs steeds bereid om voorslagen te doen, waarvan hij wist, dat Pompejus ze niet kon goedkeuren. De adellijke partij was ten strijde gereed, er ontbrak nog maar eene gelegenheid om dien te beginnen. In October 50 verspreidde zich op eenmaal te Rome het gerucht, dat Caesar zijne legioenen uit Gallië naar Italië had doen oprukken, en bij Placentia gelegerd was.

Als stadhouder had hij daartoe volkomen recht, toch bleek niet onduidelijk uit zijne handeling, dat hij voornemens was om zijne troepen tegen Rome aan te voeren. De consul Gajus Marcellus, een bloedverwant van Marcus Marcellus, stelde voor. dat men Pompejus in de gelegenheid zou stellen om een leger tegen Caesar in het veld te brengen. Curio betoogde echter, dat het gewicht der zaak zulks tol heden nog niet vorderde, en de senaat wees alzoo het voorstel van de hand. Toch sloot Marcellus zich aan bij de beide consuls, ijverige aristocraten, die voor het jaar 49 waren gekozen; met dezen begaf hij zich naar Pompejus, drong bij hem aan, om ook zonder goedkeuring van den senaat, zich aan het hoofd te plaatsen van de legioenen, die bij Capua stonden, tevens nieuwe manschappen onder de wapenen te roepen, en met deze macht tegen Caesar op te trekken.

Geene der bestaande wetten kon de aanneming van die opdracht billijken, en toch nam Pompejus haar aan; hij, die zoo dikwijls verklaard had dat hij een beschermer der wet wilde zijn, verbrak haar thans met baldadige hand.

In December 50 verliet hij Rome. om de toebereidselen tot den burgeroorlog te maken, in korten tijd meende hij een talrijk leger op de been te kunnen brengen, en hij antwoordde met trotsche zelfvoldoening op de vraag, wat hij zou doen, indien Caesar zijne legioenen tegen Rome deed oprukken: »Als ik in Italië met den voet op den grond stamp, worden er legioenen geboren".

Caesar bewaarde, in weerwil van Pompejus' wetsverkrachting, altijd zijne gewone, fijn berekende gematigdheid; hij zond Curio, die zich te Ravenna hij hem gevoegd had, naar Rome terug, om andermaal eene minnelijke schikking voor te slaan.

In Januari 49 verscheen Curio in den senaat, en overhandigde dezen een eigenhandig schrijven van Caesar. De senatoren wilden hel eerst niet voorlezen, doch twee van Caesars vurigste aanhangers, de beide tribunen Marcus Antonius, een vertrouwd vriend van Curio, en Quintus Cassius, eischlen op onstuimige wijze de voorlezing, en dreven haar door. Met al de gloeiende welbespraaktheid. Caesar eigen, waarschuwde hij in dezen brief den senaat voor den dreigenden burgeroorlog, schilderde hij den wensch des volks naar vrede, en wees hij op den overmoed van Pompejus. Hij had zich, zoo luidde dit schrijven, steeds gematigd en inschikkelijk getoond, daarom stelde hij nog eenmaal eene minnelijke schikking voor, en bood hij nog eens, maar nu ook voor het laatst, de hand tol vrede aan.

De brief maakte op de weifelende meerderheid van den senaat diepen

Sluiten