Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door hel aanleggen van vestingen poogde Drusus de gemaakte veroveringen te beveiligen; lnj stichtte de stad Moguntiacum Mainz), den burg Aliso (Eisen) aan de Lippe, enz. Over den rug van het Taunusgebergte deed hij een sterken, op een steenen grondslag rustenden wal met dubbele grachten verrijzen, die nog heden voor een deel bestaat. De spoed, waarmede dit reuzenwerk voltooid werd, vervulde de oude Germanen met stomme verbazing. De Romeinsche bouwmeesters, die de gevaarten als uit den grond deden oprijzen. waren in hun oog zeker geduchte toovenaars.

lol in liet hart van Duitschland, tot aan de Elbe, drong Drusus op zijne veroveringstochten door; doch hier werd hij op zijne zegevierende loopbaan gestuit.

Eene reusachtige vrouw, zoo verbaalt ons de sage. die in de geschiedkundige werken der Romeinen opgenomen is, trad hem in den weg, toen hij de Elbe wilde oversteken, en riep hem met eene huiveringwekkende stem toe: »Terug, Drusus! Wilt gij nog verder doordringen, onverzadelijke? Waan niet, dat het bezit der geheele wereld voor u is weggelegd; maak u weg, want het einde uwer levensdagen en uwer heldendaden is nabij". Was deze verschijning een gewrocht van Drusus' verbeelding, is zij eene uitvinding van het wondergeloof der Romeinen, ot is wellicht eene dier Germaansche zieneressen, die bij eiken stam werden aangetroffen, voor hem verschenen? Wij weten het niet en zouden schier geneigd zijn het laatste te gelooven. De sage vervolgt aldus: »Drusus schrikte hevig, hij werd door zulk een ontroering aangegrepen, dat hij niet verder durfde voorwaarts rukken, maar den Germaanschen bodem met zijne spookgestalten in aller ijl verliet. Doch voordat hij den Rijn nog bereikt had, stierl hij in den ouderdom van 30 jaren, ten gevolge van een val van zijn paard.

Het bericht van den dood des zegevierenden veldheers veroorzaakte te Rome diepe verslagenheid. Augustus hield in persoon de lijkrede op zijn stiefzoon, terwijl de senaat aan den overledene en diens nakomelingen den eernaam Germauicus schonk.

Tiberius, Drusus' broeder, zette in het jaar 0 n. Chr. diens veroveringstochten voort. Wat de laatste met dapperheid en veldheerstalent begonnen had, zette de eerste door middel van list, trouwloosheid en wreedheid voort. Tiberius, die voor een tijd door twee andere Romeinsche veldheeren vervangen werd, doch daarna zelf weder het opperbevel aanvaardde, streed jaren achtereen tegen de Germanen en slaagde er eindelijk in, het land tusschen den Rijn en de Elbe tot eene Romeinsche provincie te maken, hoewel het Romeinsche gezag hier volstrekt niet op hechte grondslagen gevestigd was. De Germaansche stammen waren grootendeels slechts half onderworpen, slechts morrend en wrokkend droegen zij het Romeinsche juk, doch zij moesten het voor het tegenwoordige wel dragen en het lijdelijk aanzien, dat Romeinsche stadhouders op den Germaanschen grond gebied voerden.

Het Duitsche volk ging onder een zwaren druk gebogen. Duitsche jongelingen streden in de Romeinsche legers en de Duitsche edelingen, die tot lieden zoo fier en vrij in hunne volksvergaderingen beraadslaagd, ja hel hoogste woord gevoerd hadden, spoedden zich Ihans naar het hof der Romeinsche stadhouders; daar gaven zij zich op weelderige feestmalen aan losbandigheid over, daar vernederden zij zich zóó diep, dat zij de vleiers werden der aanzienlijke Romeinen, van wie zij riddertitels en kostbare geschenken ontvingen.

Des keizers lijfwacht werd uil Duitsche krijgslieden gevormd; Duitsche vrouwen werden in gijzeling naar het weelderige Rome gevoerd, Romeinsche zeden en Romeinsche ondeugden drongen in de Duitsche gouwen door, Romeinsche stadhouders zogen het land uit en de oude krachtige Germanen, wier voorvaderen door de tochten der Kimbren en Teutonen het Romeinsche lijk hadden doen sidderen, verdroegen stilzwijgend al dien smaad. Zij moesten dien wel dulden, daar zij onderling niet eensgezind, maar in een groot aantal

Sluiten