Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pen die juist toen liet Romeinsche rijk troffen, en welke aan Tilus gelegen-

8a,ve" O"?,Je schitterendste blijken te geven van zijne menschlievendlieid en weldadigheid.

In het jaar 80 woedde opnieuw gedurende 3 dagen en 3 nachten een vreeselijke brand binnen Rome en kort daarop brak eene pestziekte uit die ttatie ontvolkte. Maar het grootste onheil, dat het rijk onder Titus' regeering trol, was de met geweldige aardbevingen gepaarde uitbarsting van den Vesuvius, den 2ien Augustus 79, waardoor geheel Campanië werd verwoest en drie bloeiende sleden. Herculanum, Pompeji en Stabiae onder lava en asch bedolven werden. Vele duizenden menschen verloren door dit ontzettend natuurverschijnsel hel leven. Tot de slachtoffers dezer ramp behoorde ook de door zijne natuurkundige werken beroemd geworden geleerde en staatsman Plinius de Oude omtrent wiens dood, evenals omtrent het vreeselijk natuurverschijnsel in het algemeen, zijn neef Plinius de Jonge in twee brieven aan den geschiedschrijver lacitus ons hoogst belangrijke bijzonderheden heeft nagelaten. Plinius de Jonge schrijft:

«Mijn oom bevond zich te Misenum. waar hij in persoon bevel voerde ovei de \loot. Den 23en Augustus, ongeveer des namiddags te een uur, zeide mijne moeder tot hem, dat eene wolk van ongewone grootte en gedaante zich vertoonde. Hij bad een koud bad genomen, daarop liggend het middagmaal gebruikt en was juist bezig met sludeeren. Hij vroeg om zijne schoenen en beklom eene hoogte, van waar men het vreemde verschijnsel zeer goed waarnemen kon. De wolk verhief zich — uit welken berg kon men in de verte niet onderscheiden; dat het de Vesuvius was, vernam men eerst naderhand — in een vorm, die met niets te vergelijken was dan met een boom en wel met een pijnboom Zij scheen met een zeer langen stam in de hoogte te stijgen en zich in de hoogte in eenige takken te verdeelen; ik onderstel, omdat zij aamankehjk met kracht in de boogie gedreven, tengevolge van het ophouden van deze drukking of door hare eigen zwaarte in de breedte zich uitbreidde. Haie kleur was nu eens wit, dan weer grauw en gevlekt, al naarmate zij aarde en asch niet zich voerde. Dit verschijnsel was in het oog van den geleerden man natuurlijk hoogst belangrijk en eener nadere beschouwing overwaardig. "

Hij liet een licht vaartuig in gereedheid brengen en gaf mij verlof om hem te vergezellen, indien ik er lust toe had.. Ik antwoordde, dat ik liever wilde sludeeren; daarenboven had hij zelf toevalligerwijs mij opgedragen iels Ie schrijven. Juist verliet hij het huis, toen hij een brief uit Retina ontving, waarin de daar gelegerde bemanning der vloot, door het dreigend gevaar verschrikt — de plaats lag aan den voet van den berg en men kon alleen te scheep van daar onlkomen — hem smeekte, haar uit zoo grooten nood te redden. Hij veranderde nu zijn plan en wat hij als geleerde had begonnen, volbracht hij als held. Hij liet de oorlogsschepen onder zeil gaan en begaf zich aan boord, om niet alleen aan de bewoners van Retina, maar aan een onlelbaai aantal menschen — want de kust was vanwege hare aangename ligging zeer dicht bevolkt — hulp aan te brengen. Hij snelde derwaarts heen, van waar anderen vluchtten. Hij stuurde vlak op hel gevaar in. zoo onbevreesd, dal hij alle omstandigheden en bijzonderheden der vreeselijke tooneelen, die hij aanschouwde, dicteerde en opteekenen liet. Reeds begon er asch op de vaartuigen te vallen, die al dichter en heeter werd, hoe nader men kwam, en vermengd was met zwarte, uitgebrande, door het vuur gebarsten steenen. Thans maakte een plotselinge val van hel water en de uilbarslin" van den berg de kust ontoegankelijk. Hij stond een oogenblik in beraad, of hij ook terugkeeren zou, doch antwoordde zijn stuurman, die hem dit aanried: «niet de dapperen is het geluk, zeil door!" Zoo kwam hij te Stabiae. Hoewel het gevaar daar nog niet van nabij dreigde, had men het toch voor oogen en indien hel aangroeide, was het nabij genoeg. De inwoners hadden

Sluiten