Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waardig is het, dat de felste vervolgingen niet plaats grepen onder de regeering van die keizers, welke als bloeddorstige monsters een geschandvlekten naam hebben nagelaten, maar juist onder het bestuur van dezulken, die slechts uit staalkundige oogmerken en niet uit lust tol moorden menschenbloed deden stroomen.

Toen onder de regeering van Trajanus, Plinius de Jonge, vermaard wegens zijne geleerdheid en beschaving, als stadhouder naar Bythinië en Pontuswerd gezonden, vond hij aldaar het Christendom zoozeer verbreid, dat de afgodstempels ledig stonden. Naardien hij niet van nabij met de Christenen bekend was, rekende hij bet zich tot plicht, een streng onderzoek naar hen in te stellen. Wel bevond hij hen niet schuldig aan eenige staatkundige overtreding, doch de wet schreef de vereering van de goden voor en dezen werden door de Christenen beschimpt. Plinius berichtte dit den keizer en vroeg tevens, hoe hij omtrent de Christenen te handelen had. Zijn bericht is voor ons bewaard gebleven, alsmede het antwoord des keizers; — dit laatste luidt aldus: »Cij moet met betrekking tot de Christenen, die bij u aangeklaagd worden, den weg der rechtvaardigheid volgen; want in dit opzicht kan mengeenealgemeene bepalingen vaststellen, die in elk bijzonder geval van toepassing zouden zijn. Men moet hen niet opsporen; wanneer zij echter aangeklaagd en van eenige overtreding overtuigd worden, moet men hen straften, doch zoo, dat. wanneer zij ontkennen Christenen te zijn, en dit metterdaad, dat is door het aanroepen van onze goden, bewijzen, hun kwijtschelding van straf worde geschonken, ook dan zelfs, wanneer nog eenige verdenking uit vroegeren lijd op hen mocht rusten. Op ongeteekende klachten moet in geen geval gelet worden; dewijl dit een allergevaarlijkst voorbeeld en tevens geheel met den geest onzer eeuw in strijd zou zijn."

Evenals Trajanus, zoo beschouwden ook andere keizers, en onder hen Marcus Aurelius, de Christenen als dwepers, wier drijven gevaarlijk wasvoor de maatschappelijke orde. Marcus Aurelius meende strenger maatregelen te moeten nemen dan Trajanus gedaan had, en gaf bevel om de Christenen op te sporen en onder allerlei martelingen ter dood te brengen. Onder Alexander Severus vond geene vervolging plaats; ook de zachtmoedige keizer Filippus Arabs betoonde zich zoo toegevend jegens de Christenen, dat eenigen zelfs beweren. dat hij tol het Christendom is overgegaan.

De strenge keizer Decius was een ijverig handhaver van alle Romeinsche zeden en gebruiken. Natuurlijk moest hij een des te heftiger vijand der Christenen zijn, naarmate dezen hem gevaarlijker voor den staat schenen. Onder zijne regeering had eene waarlijk strenge vervolging plaats. Verscheiden bisschoppen stierven den marteldood. Ook onder Valerianus stonden de Christenen bloot aan vervolging; hunne bisschoppen moesten uitgeroeid, en zoo doende het Christendom onderdrukt worden. Doch ook deze poging bleek vruchteloos, want zoodra Gallienus alleenheerscher was vaardigde hij een bevelschrift uit, waarbij den Christenen vrije uitoefening van hun godsdienst werd toegestaan. Gedurende 40 jaren genoten zij eene bijna ongestoorde rust en namen zij tevens op ongeloofelijke wijze in aantal toe. Toen Diocletianus de regeering aanvaardde, was het Christendom reeds over het geheele Romeinsche rijk en onder alle standen verspreid. Er was nauwelijks eene stad, waarin niet eene Christengemeente bestond; ja in sommige streken maakten de Christenen reeds de meerderheid der bevolking uit. Alvorens deze vluchtige schets te besluiten, moeten wij nog een blik werpen op een merkwaardig verschijnsel. De zoo wreed vervolgde Christenen, die zich tegenover zulke onmenschelijke vijanden, naar men meenen zou, zeer nauw aan elkander hadden moeten aansluiten, waren reeds in de eerste eeuwen van hun optreden verbrokkeld in een tal van sekten, die tegen elkander bezield waren met een haat, wellicht nog grooter dan die, welken de heidenen hun toedroegen.

Het eerst vormden zich onder de Joodsche Christenen de sekten der Naza-

Sluiten