Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar Zipangu. Ontdekking van Cuba. Columbus dwaling. Babeque.

Zijn naaste doel, dat hij spoedig hoopte te bereiken, was het groote, op de middeleeuwsche kaarten aangeduide eiland Zipangu (Japan), door Marco Polo als een waar Dorado, als een land overvloeiende van goud, paarlen en edelgesteenten afgeschilderd. Toen hij van Guanahani afvoer, beging hij de wreedheid zeven Indianen, die hem vertrouwelijk genaderd waren, als gevangenen mede te nemen, opdat zij hem den weg van eiland tol eiland zouden wijzen.

Eene reeks van eilanden werden in de eerstvolgende weken ontdekt; het eene kwam hun nog schooner voor dan het andere, want Columbus was daar juist in het gunstigste jaargetijde, in de tropische lente na het einde van het regenlijdperk, aangekomen. De heerlijke natuur prijkte er in hare schitterendste bloemenpracht; maar van de schatten waarop de ontdekker gehoopt had vond hij slechts weinig. Zoowel de overvloed van specerijen als de rijkdom aan goud en edelgesteenten ontbrak geheel en al. Ook de ruilhandel met de Indianen leverde geen bevredigende uitkomsten op. Hoewel de onwetende wilden gaarne voor een paar glaspaarlen hunne gouden versierselen wegschonken, werd het toch dagelijks moeilijker, met hen in aanraking te komen, daar het bericht van de nadering der vreemde hleeke mannen, die zich door den op Guanahani gepleegden menschenroof gevreesd gemaakt hadden. zich spoedig van liet eene eiland naar liet andere verbreidde. Waar de Spanjaarden landden, vonden zij meestal slechts ellendige, verlaten hutten; de inboorlingen waren naar het binnenland gevlucht.

Eindelijk bereikten de ontdekkers een grooler eiland, dat door de meegenomen Indianen Cuba genaamd werd. Thans meende Columbus, dat hij Zipangu gevonden had en hij was verrukt over de heerlijke natuurtooneelen, welke het prachtige eiland hem aanbood. Hij bezocht de kust op verschillende punten en zag nu spoedig in, dat hij zich vergist had, toen hij het eiland voor Zipangu had gehouden, doch verviel in eene nog grootere dwaling; hij meende reeds hel vasteland van Azië bereikt te hebben.

In deze overtuiging besloot hij. een gezantschap naar het binnenland te zenden, en wel naar eene volkrijke stad, die volgens de aanwijzingen der Indianen vier dagreizen van de plaats, waar hij zich bevond, gelegen was. Met juist overleg koos hij lot hoofd van dit gezantschap een gedoopten Jood, Luis de Torres, die Arabisch verstond en wien een der Indianen van Guanahani werd meegegeven. Torres ontving monsters van indische specerijen, want hij moest onderzoeken, waar deze op het eiland Ie vinden waren, ook droeg Columbus hem op. den vorst des lands gunstig voor een verbond met den koning van Kastilië te stemmen.

Den 2cn November reisden deze gezanten af, den 8en keerden zij reeds terug. De groote stad. welke zij zouden vinden, was ingekrompen lot een vijftigtal Indiaansche hutten met eene bevolking van hoogstens 1000 zielen. De Europeanen waren door de inboorlingen met vriendelijke nieuwsgierigheid ontvangen, de vrouwen hadden hunne handen en voelen gekust, hunne witte huid gestreeld en zicli volstrekt niet schuw of vijandig gedragen. Meer dan 50 Indianen hadden den vreemden gasten bij hun vertrek uitgeleide gedaan. Een zonderling genoegen scheen het den Spanjaarden, dat velen hunner geleiders onderweg eene gloeiende kool en zekere kruiden in een droog blad wikkelden, vervolgens den rook in den mond optrokken en dien dan weder uitbliezen.

Overigens had het gezantschap niets uitgericht. Specerijen waren er op Cuba niet, deze werden volgens de aanwijzingen der Indianen verder naar het zuidoosten aangetroffen. Derwaarts, naar een wonderland dat de inboorlingen Babeque noemden, besloot Columbes derhalve den steven te wenden om, gelijk bij zelf verklaarde »goud en specerijen te zoeken." Eer bij weg voer, liet hij nog vijf argelooze inwoners grijpen. met het plan hen later naar Spanje mee Ie nemen. Buitendien liet bij zeven vrouwen ontvoeren, want hij had van Portugeesche slavenhandelaars gehoord, dal negers de gevangenschap

Sluiten