Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dood van Adriaan VI. Paus Cleraens VIL Voortgang der hervorming.

die zoolang lot schade der Christenheid aan het hoofd tier kerk hadden «estaaii. In Italië was hij het voorwerp van de hittere vijandschap der Romeinen en der aanzienlijke Italiaansche prelaten, juist ter oorzaak van het hervormingswerk, dat hij beginnen wilde. .

Adriaan torsie den zwaren last der pauselijke kroon niet lang; Inj sliert reeds den Kctt September 1523. Slechts enkelen stonden treurend bij zijne lijkbaar en lieten op zijn graf in de St. Pieterskerk de woorden plaatsen: „Hier ligt Adriaan VI, die hel voor het grootste ougeluk heeft gehouden, dat

hij geregeerd heeft."

Zijn opvolger was kardinaal Julius de Medici, die den naam LlemensVlI aannam, een scherpzinnig man, die volstrekt niet gezind was hel voorbeeld van zijn voorganger te volgen. Hij liet op den rijksdag te Neurenberg, inliet jaar 1524 door zijn legaat Campeggio op de uitvoering van het Wormser edict aandringen, doch ook hij kon van de stenden slechts de weinig beteekenende belofte verwerven, dat zij het edict zouden uitvoeren, zooveel dit mogelijk was.

De hervormingsbeweging had intusschen in Duitschland groote vorderingen gemaakt; Luthers denkbeelden werden, terwijl de hervormer op den Wartburg was, meer en meer omhelsd en in toepassing gebracht en zelfs door vele katholieke geestelijken aangenomen.

Een stadspastoor te Kemberg, Barlholomei'is Bernhardi, naar zijne geboorteplaats in Zwaben Feldkirch genaamd, was in het jaar 1521 de eerste die het waagde, het kerkgebod aangaande liet celibaat, dat de geestelijken tot den ongeliuwden slaat veroordeelde, te schenden en zich in den echt te begeven. Andere geestelijken volgden weldra het voorbeeld van den Kemberger pastoor en evenals zij hunne belofte omtrent het celibaat verbraken, aarzelden vele monniken niet hunne kloostergeloften ontrouw te worden en in de wereld terug te keeren.

Luthers ordebroeders, de Augustijners te Wittenberg, gingen den overigen monniken met bun voorbeeld voor; een Augustijner, Gabriël Zwilling, hield vurige predikaties, waarin hij het geheele monnikenwezen aanviel en liet niet alleen geoorloofd, maar noodzakelijk noemde, dal de monniken zich daaraan onttrokken; «want" — zoo riep hij uit, — »in de pij kan men niet zalig worden."

Dertien Augustijners verlieten te gelijk hun klooster te Wittenberg en namen hun intrek bij verschillende burgers der stad; een hunner verkreeg op zijn verzoek zelfs het burgerrecht, om als schrijnwerker zijn brood te kunnen verdienen.

Carlsladt, Luthers oude vriend en medestrijder, was met rusteloozen, maar niet altijd even verstandigen ijver voor de hervorming werkzaam. In zijne onstuimige geestdrift ging bij dagelijks verder. Hij voerde bij de openbare godsdienstoefeningen eene Duitsche mis met geheel gewijzigden ritus in en zette dit alles door, in weerwil van een verbod van keurvorst Frederik, wien deze nieuwigheden te ver gingen.

Doch ook hierover was Carlstadt niet tevreden; elke overwinning, door hem behaald, dreef hein aan tot nieuwe vermetele stappen, eindelijk sloot hij zich zelfs aan bij eene dweepzieke, voor korten tijd ontstane sekte, die der wederdoopers.

Een lakenwever, Nicolaas Storch, had te Zwickau deze sekte rondom zich verzameld; Luther ging naar haar zin niet ver genoeg, en zette zijn werk in hare schatting niet krachtig en snel genoeg voort. Meer dan een zijner gevoelens, vooral zijne stelling dat de mensch alleen door hel geloof, niet door zijne werken zalig kan worden, was in strijd met hare overtuiging.

De wederdoopers waanden zich zelf met goddelijke ingevingen begenadigd; hunne dweperij deed ben gelooven, dat God zelf op bovennatuurlijke wijze tot hen sprak en bun ingaf, wat zij doen en wat zij prediken moesten. Zij beschouwden hunne eigen phantastische droonien, de voortbrengselen van een

Sluiten